Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Waaierzanger

Waaierzanger | Basileuterus lachrymosus

Fan-tailed Warbler | Reinita roquera

De waaierzanger is een grote, langstaartige zanger van rotsige ravijnen en steile bosranden in Mexico en Midden-Amerika. Hij loopt en huppelt laag bij de grond tussen keien en waaiert daarbij voortdurend zijn staart open. In de Verenigde Staten is hij een dwaalgast die vrijwel alleen in de canyons van Zuidoost-Arizona en West-Texas wordt gevonden.

Waaierzanger (Basileuterus lachrymosus)
Foto: dominic sherony — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een reeks heldere, omlaag glijdende fluittonen die in tempo en toonhoogte afnemen, ongeveer tsjieu-tsjieu-tsjieu-tsjoe; hij draagt ver door een nauw ravijn en klinkt daardoor luider dan je bij een zanger verwacht. De roep is een dunne, hoge tsiep, vaak herhaald terwijl de vogel over de rotsen loopt. Zingende vogels zitten meestal op een lage tak of een rotsblok in de schaduw en niet in de kroon.

Luister: ZangXC1139367

Opname: Dario Cantu — CC BY-NC-SA 4.0 · Volcán de Jaurez (near Las Crucitas), Linares, Nuevo León, Mexico · xeno-canto

Herkenning

De kop is donkergrijs met een zwarte voorkruin, een gele vlek midden op de kruin en witte, traanvormige vlekken boven en onder het oog. De bovendelen zijn olijfgrijs, de keel en borst zijn geel en dat geel loopt door tot op de buik. De staart is lang, getrapt en donker, met brede witte punten aan de buitenste pennen. Kenmerkend is het gedrag: de vogel houdt de staart half opgericht en spreidt hem herhaaldelijk als een waaier terwijl hij zich tussen rotsen beweegt.

Verwarrings­soorten

De roodkapzanger heeft een roodbruine kruin, een witte wenkbrauwstreep en geen gele kruinvlek, is kleiner en heeft een kortere staart zonder witte punten. De meniezanger en de louisianawaterlijster hebben geen witte traanvlekken rond het oog. Binnen het gidsgebied is het staartwaaieren in combinatie met de gele kruinvlek en de witte staartpunten voldoende om de soort vast te stellen; verwarring is eerder een kwestie van de vogel goed genoeg te zien dan van gelijkende soorten.

Leefgebied

Ruig, rotsig terrein in half-bladverliezend en altijdgroen bos van heuvelland en lagere berghellingen, tussen ruwweg 50 en 1800 meter: ravijnbodems, met bos begroeide lavavelden, steile canyonwanden en droge beddingen met keien. Hij foerageert op de bodem en op rotsblokken naar insecten en spinnen en komt zelden hoger dan een paar meter. Dichte bodemvegetatie en schaduw zijn vaste kenmerken van zijn plekken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het areaal loopt langs de Pacifische helling van Mexico van Zuid-Sonora en Zuidwest-Chihuahua zuidwaarts tot Guatemala, El Salvador en Honduras, en aan de Golfzijde van Zuid-Tamaulipas en San Luis Potosí zuidwaarts; de zuidgrens ligt in Noord-Centraal Nicaragua. De soort is standvogel en verplaatst zich hooguit over hoogtegradiënten. In de Verenigde Staten gaat het om enkele tientallen aanvaarde gevallen, vrijwel alle in Zuidoost-Arizona, met daarnaast waarnemingen in New Mexico en West-Texas.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Zoek hem in Mexico in een schaduwrijk ravijn met keien en een beekloop, vroeg op de ochtend, en ga af op de heldere dalende fluittonen. Voor de Verenigde Staten geldt dat gevallen vrijwel altijd via waarnemingsnetwerken bekend worden en dat de vogels dan dagen tot weken op dezelfde canyonwand blijven. Kijk naar het onderlijf: het bewegen en spreiden van de lange staart verraadt de vogel eerder dan het gezichtspatroon.

Staat van instandhouding

De IUCN classificeert de soort als niet bedreigd (LC), met een populatie die op meer dan 50.000 volwassen vogels wordt geschat en waarvan de trend als dalend wordt beoordeeld. De druk komt vooral van omzetting van laag bergbos naar landbouw en weiland en van kap in de half-bladverliezende bossen van de Pacifische helling. Het ruige terrein waar de soort zit, is voor landbouw minder geschikt, waardoor delen van het areaal grotendeels onaangetast blijven.

Wetenschappelijke naam

Basileuterus lachrymosus | Bonaparte, 1850

Charles Lucien Bonaparte beschreef de soort in 1850 als Basileuterus lachrymosa; de uitgang is later aan het geslacht aangepast, maar auteur en jaartal staan zonder haakjes omdat het geslacht hetzelfde bleef. De soortnaam lachrymosus is Latijn voor 'vol tranen', naar de witte, traanvormige vlekken rond het oog. Het geslacht Basileuterus komt van het Griekse basileuteros 'meer koninklijk', naar de gekleurde kruinvlek die veel soorten van dit geslacht dragen. De Nederlandse en Engelse naam verwijzen naar het waaieren met de staart; het typeexemplaar kwam uit Veracruz.