Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Rallen › Virginiaral

Virginiaral | Rallus limicola

Virginia Rail | Rascón de Virginia

De virginiaral is de kleine, roestbruine ral van het zoetwatermoeras, met een lange rode snavel en een grijs gezicht. Hij is over vrijwel het hele continent te vinden en toch bij de meeste vogelaars alleen als geluid bekend. Van alle vogels heeft hij de zwaarste loopspieren in verhouding tot zijn vliegspieren, en dat is te zien aan de manier waarop hij door het riet beweegt.

Virginiaral (Rallus limicola)
Foto: Rhododendrites — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het bekendste geluid is een reeks metalen kid-ik kid-ik kid-ik-tonen, snel achter elkaar en met een klank alsof twee steentjes tegen elkaar tikken. Daarnaast klinkt een aflopende reeks knorrende tonen, die in toonhoogte en kracht afneemt en meestal door het paar samen wordt gebracht. Bij onraad geeft hij een korte, hoge kiep. De meeste roep komt in april en mei in de schemering en in de eerste uren van de nacht; buiten de broedtijd zwijgt hij bijna helemaal.

Luister: RoepXC1074384

Opname: Frank Severson — CC BY-NC-SA 4.0 · West Sacramento, Yolo County, California, United States · xeno-canto

Herkenning

Een kleine ral met een lange, dunne en licht neerwaarts gebogen snavel en een korte staart die vaak omhoog wordt gehouden. De onderdelen zijn warm roestbruin, de wangen grijs, de rug donkerbruin met grove zwarte streping; de flanken zijn scherp zwart-wit gebandeerd en onder de staart is hij wit. Snavel en poten zijn rood tot roodbruin, al zit er meestal modder op de poten. Man en vrouw zijn gelijk; het mannetje heeft een iets langere snavel. Jonge vogels zijn van onder roetzwart met een donkere snavel en missen het roestbruin, wat elk najaar tot vragen leidt. In vlucht hangen de poten en klapwiekt hij zwak en laag, om na enkele tientallen meters weer in de vegetatie te vallen.

Verwarrings­soorten

De soraral leeft in hetzelfde moeras maar heeft een korte, dikke gele snavel, een zwart gezicht en geen roestbruin op de borst. De koningsral en de klapperral hebben hetzelfde kleurpatroon maar zijn bijna twee keer zo lang, met een veel zwaardere snavel; de Californische ral idem, aan de westkust. Jonge virginiaralen worden verward met de zwarte dwergral, die veel kleiner is, wit gespikkeld op de rug en met een rood oog. Een ral die kort overvliegt is aan de lange rode snavel en de roestbruine onderdelen te herkennen.

Leefgebied

Zoetwater- en brakwatermoeras met lisdodde, biezen en zeggen, met ondiep water, zachte modder en een dichte, hoge vegetatie erboven. Hij zoekt vooral de overgang tussen dekking en open slik, en gebruikt ook natte weiden, verlandende vijverranden en oude veenputten. In de winter komt hij aan de kust ook in zoutmoeras en langs kreken terecht. Diep open water, snelstromende beken en droge, dichtgegroeide rietvelden gebruikt hij niet.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedvogel van Zuid-Canada en de noordelijke helft van de Verenigde Staten, van Brits-Columbia en Nova Scotia zuidwaarts tot in Colorado en Pennsylvania. Aan de westkust, in het zuidwesten en langs de Midden-Atlantische kust blijft hij het hele jaar; de vogels van het binnenland en het noorden trekken 's nachts naar de zuidelijke staten en Mexico. In de winter is hij het talrijkst in de kustmoerassen van de Golf en de Zuid-Atlantische staten. Het areaal is in de laatste eeuw kleiner en lappiger geworden waar zoetwatermoeras is drooggelegd, maar de soort komt nog overal binnen dat gebied voor.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga in april of mei een half uur na zonsondergang naar de rand van een lisdoddemoeras en blijf stilstaan; het knorrende duet komt vaak van een paar meter afstand, zonder dat de vogel zichtbaar wordt. In de winter is een kreekrand bij laag water de beste plek: dan loopt hij over het kale slik langs de vegetatie. Vertrouw op het oor, niet op het oog, en laat opnamen van zijn roep achterwege in de broedtijd.

Staat van instandhouding

Wijdverbreid en talrijk, zonder aanwijzingen voor een achteruitgang over het hele continent; de soort geldt als niet bedreigd (LC). De grootste druk komt van drooglegging en verlanding van ondiepe zoetwatermoerassen en van de omzetting van natte weiden in akkerland. In een aantal staten en provincies is hij nog altijd een jachtsoort, al wordt er weinig op geschoten. Omdat hij zich vrijwel alleen door zijn roep laat tellen, is de trend moeilijk vast te stellen.

Wetenschappelijke naam

Rallus limicola | Vieillot, 1819

Louis Pierre Vieillot beschreef de soort in 1819 als Rallus limicola, in het achtentwintigste deel van de Nouveau dictionnaire d'histoire naturelle; ze staat nog in dat geslacht en daarom staan auteur en jaartal zonder haakjes. limicola is samengesteld uit het Latijnse limus ('slik') en colere ('bewonen'), dus 'slikbewoner'. De typelocatie is opgegeven als de Verenigde Staten, later gepreciseerd tot Pennsylvania, naar een afbeelding van Edwards. De Zuid-Amerikaanse en Andes-vogels die vroeger bij deze soort werden gerekend, staan nu als eigen soorten te boek.