Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Rallen › Soraral
Soraral | Porzana carolina
Sora | Polluela Sora
De soraral is de talrijkste en meest verbreide ral van Noord-Amerika: een gedrongen moerasvogel met een korte, dikke gele snavel en een zwart gezicht. Van alle rallen laat hij zich het gemakkelijkst zien, want hij loopt in de vroege ochtend over open slik langs de rietrand. Ondanks korte, ronde vleugels legt hij in het najaar duizenden kilometers af tot in Zuid-Amerika.
Geluid
Het bekendste geluid is een hoge, aflopende hinnik: een reeks tonen die snel achter elkaar in toonhoogte zakt en wegsterft, van diep in het moeras. Daarnaast klinkt een helder opgaand ker-wie, dat 's avonds urenlang wordt herhaald, en een scherp kiek bij schrik. Hij reageert op plotseling lawaai: een dichtslaand portier of een steen in het water kan een hele moerasrand aan het roepen zetten. Het meeste geluid komt in april en mei bij het invallen van de schemering en 's nachts.
Opname: Bjørn Olav Tveit — CC BY-SA 4.0 · Grindholmen, Kurefjorden, Råde kommune, Østfold, Norway · xeno-canto
Herkenning
Een kleine, gedrongen ral met een korte, dikke gele snavel, een korte staart die vaak omhoog wipt en lange tenen aan geelgroene poten. Het verenkleed is gevlekt grijsbruin met witte veerzomen op de rug, een leigrijze hals en borst, en fijne witte streepjes over de flanken; onder de staart zit een wit vlak. Het volwassen mannetje heeft een zwart gezicht en een zwarte keelvlek; het vrouwtje is doffer en heeft minder zwart. Jonge vogels missen het zwart helemaal en hebben een geelbruin gezicht en een fletse snavel, waardoor ze in het najaar op een heel andere soort lijken. Donsjongen zijn zwart met oranje borstelveertjes rond de keel. In vlucht hangen de poten en gaat het laag en fladderend over korte afstand.
Verwarringssoorten
De virginiaral leeft in hetzelfde moeras maar heeft een lange, dunne rode snavel en roestbruine onderdelen in plaats van grijs. De gele ral is kleiner en geelbruin, met donkere rugstrepen en een wit vleugelveld dat alleen in vlucht te zien is. De zwarte dwergral is nog kleiner, donker leigrijs met witte spikkels en een rood oog. Jonge soraralen zonder zwart gezicht worden het vaakst voor een gele ral aangezien; de korte gele snavel en de witte flankstreepjes geven dan uitsluitsel.
Leefgebied
Ondiep zoetwatermoeras met lisdodde, biezen, zeggen en wilde rijst, met open slikplekjes tussen de stengels. Op trek gebruikt hij ook natte weiden, ondergelopen akkers, sloten, rijstvelden en zelfs kleine rietkraagjes langs vijvers. In de winter komt hij daarnaast in brak moeras en mangrove terecht. Diep open water en droge, dichtgegroeide vegetatie zonder modder eronder gebruikt hij niet.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedvogel van het zuiden van Alaska, vrijwel heel Canada en de noordelijke helft van de Verenigde Staten, met uitlopers zuidwaarts tot in Californië, Arizona en New Mexico. Vanaf augustus trekt hij 's nachts zuidwaarts en overwintert in de zuidelijke staten, in heel Mexico, Midden-Amerika, de Antillen en het noorden van Zuid-Amerika. In het najaar verzamelen zich grote aantallen in moerassen met wilde rijst, waar vroeger volop op hem werd gejaagd. Het broedareaal is in de laatste eeuw nauwelijks van vorm veranderd, al zijn de moerassen erbinnen kleiner geworden.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in september of oktober aan de rand van een moeras waarvan het water is gezakt: op het blootgevallen slik loopt hij in het volle zicht, met korte pasjes en een wippende staart. In het voorjaar werkt het oor beter dan het oog — ga bij zonsondergang zitten en wacht op de aflopende hinnik. Kijk bij twijfel naar de snavel: kort en geel hoort bij deze soort, lang en rood bij de virginiaral.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC) en de talrijkste ral van het continent, met een bevolking die over het hele broedareaal verspreid zit. De drooglegging van ondiepe moerassen en de omzetting van natte weiden in akkerland zijn de voornaamste druk; verlies van rustplaatsen op trek telt daar bovenop. In veel staten en provincies is hij een jachtsoort, met een oogst die klein is ten opzichte van de aantallen. Omdat hij zich vooral door zijn roep laat tellen, is de trend minder scherp bekend dan bij open watervogels.
Wetenschappelijke naam
Porzana carolina | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Rallus carolinus, in de tiende uitgave van het Systema Naturae; omdat ze later in Porzana is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Porzana komt van een Italiaanse naam voor de kleine rallen, en carolina verwijst naar Carolina. De typelocatie luidt North America en werd later gepreciseerd tot de Hudsonbaai, naar een afbeelding van Edwards. De naam Sora komt uit een inheemse taal van het oosten van Noord-Amerika en is in het Nederlands en het Engels overgenomen.




