Alle soorten › Spechtachtigen › Spechten › Witkopspecht

Witkopspecht | Leuconotopicus albolarvatus

White-headed Woodpecker | Pico cabeciblanco

De witkopspecht is een specht van het westen: een geheel zwarte vogel met een spierwitte kop en keel, bij het mannetje met een klein rood vlekje in de nek. Hij bewoont de open dennenbossen van de bergen, van het zuiden van Brits-Columbia tot Zuid-Californië, en leeft er in de winter vooral van dennenzaden die hij uit de kegels wrikt. Dat maakt hem tot een van de weinige Noord-Amerikaanse spechten die grotendeels van plantaardig voedsel afhankelijk zijn.

Witkopspecht (Leuconotopicus albolarvatus)
Foto: Mike's Birds — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De gewone roep is een scherp, tweelettergrepig piedink of pitik, dat wat doet denken aan de roep van de haarspecht maar vaker in reeksen wordt herhaald; bij opwinding gaat dat over in een snelle ratel, pitikitikitik. Beide geslachten trommelen, in roffels van gelijkmatige snelheid, vooral in het voorjaar wanneer paren hun territorium afbakenen. Bij het zoeken naar voedsel is ook het tikken en wrikken aan dennenkegels vaak te horen voordat de vogel te zien is.

Luister: RoepXC1028546

Opname: Greg Irving — CC BY-NC-SA 4.0 · Wenas Campground, WA, United States · xeno-canto

Herkenning

Een middelgrote specht met een egaal zwart lichaam, een spierwitte kop en keel en een smalle zwarte streep achter het oog die naar de nek loopt. Het mannetje heeft een kleine rode vlek achter op de kop, het vrouwtje niet. Op de gesloten vleugel is aan de basis van de handpennen een witte vlek te zien, die in vlucht uitgroeit tot een witte halvemaan. De staart is zwart. Vogels van de zuidelijke ondersoort gravirostris in de bergen van Zuid-Californië hebben een langere snavel en staart, vooral de mannetjes.

Verwarrings­soorten

Binnen zijn verspreidingsgebied is hij nauwelijks te verwarren. De eikelspecht, die in Californië vaak in hetzelfde bos zit, heeft ook veel wit in het gezicht, maar een zwarte en rode kruin, lichte ogen en een witte stuit en buik. Heel af en toe zorgen gedeeltelijk witte, leucistische exemplaren van andere spechten voor verwarring; die hebben echter zelden zo'n scherp begrensde witte kop op een effen zwart lichaam en missen de witte halvemaan in de vleugel.

Leefgebied

Open bergbos dat door dennen met grote kegels wordt gedomineerd: ponderosaden, suikerden en jeffreyden, en in het zuiden coulterden, meestal met een open kronendak, weinig ondergroei en veel oude bomen en staande dode stammen. Dennen met kleine kegels, zoals de draaiden, mijdt hij grotendeels. Recent verbrande bossen worden ook gebruikt. Zijn nestholte hakt hij in dode naaldbomen en stobben, vaak op slechts enkele meters hoogte. In de zomer eet hij veel mieren, kevers en andere insecten; daarnaast boort hij soms sapputjes.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Hij bewoont de bergen van het westen: het zuiden van het Okanagan-gebied in Brits-Columbia, het oosten van Washington, het noorden van Idaho, de Cascades en Blue Mountains van Oregon, het westen van Nevada en in Californië de Sierra Nevada, de Klamath-bergen en de Transverse en Peninsular Ranges tot in San Diego County. De nominaatvorm bewoont vrijwel het hele areaal; gravirostris leeft op de bergtoppen van de San Gabriel Mountains tot San Diego County, met tussenvormen op Mount Pinos. Het is een standvogel die buiten het broedseizoen hooguit iets lager zakt.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Zoek hem in een open bos van oude ponderosa- of suikerdennen en let op een zwarte specht die kegels aan het uiteinde van takken bewerkt of zich tegen een stam drukt; de witte kop valt dan meteen op. In de Sierra Nevada zijn goede plekken rond Yosemite en Lake Tahoe. Luister naar het tweelettergrepige piedink: het is vaak het eerste teken van zijn aanwezigheid. Omdat hij zijn nest laag in een dode stam maakt, is het broeden in mei en juni soms goed te volgen.

Staat van instandhouding

De IUCN rekent de soort tot niet bedreigd (LC). Partners in Flight schat de broedpopulatie op ongeveer 240.000 vogels, en volgens de Breeding Bird Survey namen de aantallen tussen 1968 en 2015 met ongeveer 1,1 procent per jaar toe. Toch is hij plaatselijk kwetsbaar: kap van oude dennen, het verwijderen van dode stammen en het onderdrukken van bosbranden, waardoor bossen dichtgroeien, gaan ten koste van zijn leefgebied. In Canada, waar slechts een kleine populatie broedt, geldt hij wettelijk als bedreigd.

Wetenschappelijke naam

Leuconotopicus albolarvatus | (Cassin, 1850)

John Cassin beschreef de soort in 1850 als Leuconerpes albolarvatus; de typelocatie is Oregon Canyon in El Dorado County, Californië, in het goudzoekersgebied van de Sierra Nevada. Omdat de soort sindsdien naar een ander geslacht is overgebracht, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Leuconotopicus, in 1845 door Alfred Malherbe ingevoerd, betekent 'witrugspecht', van het Griekse leukos 'wit', nōton 'rug' en pikos 'specht' — ironisch voor een soort met een zwarte rug. Albolarvatus is Latijn voor 'wit gemaskerd', naar de witte kop.