Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Rallen › Zwarte Dwergral
Zwarte Dwergral | Laterallus jamaicensis
Black Rail | Polluela Negra
De zwarte dwergral is de kleinste ral van Noord-Amerika: niet groter dan een mus, donker leigrijs met witte spikkels, een roodbruine nek en een dieprood oog. Hij leeft in de dichtste, ondiepste hoek van het moeras en wordt bijna uitsluitend 's nachts gehoord. De oostelijke ondersoort geldt sinds 2020 in de Verenigde Staten als bedreigd.
Geluid
De roep van het mannetje bestaat uit drie lettergrepen, kik-kik-kerr, waarvan de laatste lager en schrapend is; hij wordt minutenlang herhaald, met korte tussenpozen. Er wordt vooral geroepen tussen middernacht en het eerste licht, in het voorjaar en de vroege zomer, en een roepende vogel is op een stille nacht een paar honderd meter ver te horen. Daarnaast klinkt een langgerekt, ratelend gesnor dat beide seksen laten horen en waarvan de betekenis niet bekend is; wie het niet kent houdt het voor een kikker of een insect. Overdag zwijgt hij bijna altijd.
Opname: Paul Lenrumé — CC BY-NC-SA 4.0 · Montplaisant savanna, French Guiana · xeno-canto
Herkenning
Een raltje van 10 tot 15 cm en ongeveer dertig gram, met een korte stompe zwarte snavel, korte vleugels en zware poten voor zijn maat. De volwassen vogel is donker leigrijs, het zwartst op de kruin en het voorhoofd, met een roodbruine vlek in de nek en op de bovenrug en met fijne witte spikkels over rug, vleugels en flanken. Het oog is dieprood en valt van dichtbij meteen op; de poten zijn vaalroze tot wijnkleurig. Man en vrouw zien er vrijwel hetzelfde uit, al is de keel van het vrouwtje lichter grijs. Jonge vogels lijken op de ouders maar hebben minder wit en een amberkleurig oog, dat pas na een maand of drie rood wordt; donsjongen zijn geheel zwart. Vliegen doet hij vrijwel nooit: een kort, snorrend fladderen vlak over het gras, en meteen weer omlaag.
Verwarringssoorten
Niets anders in het moeras is zo klein en zo donker tegelijk. De soraral is ruim twee keer zo groot, met een gele kegelsnavel en een grijs gezicht; de gele ral is geelbruin met zwarte lengtestrepen en een witte vlek in de vleugel. De vaakst gemaakte fout is een donsjong van de klapperral, de koningsral of de virginiaral, dat ook geheel zwart is — dat heeft een naar verhouding grotere kop, loopt altijd vlak bij een ouder en mist de witte spikkels en de roodbruine nek. Ook het snorrende geluid wordt verward, in dit geval met dat van een kikker.
Leefgebied
De hoogste rand van de kwelder, die alleen bij de zwaarste vloeden onderloopt, met dicht slijkgras, zoutbies en russen; landinwaarts natte weiden en ondiepe zoetwatermoerassen met zegge en gras, vaak rond bronnen, kwelplekken en lekkende irrigatiekanalen. Het water mag daar hooguit een paar centimeter diep staan, en er moet een dicht dak van gras tot op de grond doorlopen. Open water, hoog lisdoddenriet en alles wat regelmatig diep onderloopt, gebruikt hij niet. Doordat hij zo ondiep zit, is hij kwetsbaar voor grondroofdieren en voor elke plotselinge overstroming.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
In het oosten broedt hij langs de Atlantische kust van New Jersey zuidwaarts tot Florida en verder langs de Golfkust tot in Texas, met Texas en Florida als de plaatsen waar hij het talrijkst is; landinwaarts zitten kleine populaties in het dal van de Arkansas in Colorado, in zuidelijk Kansas en verspreid in Oklahoma. De noordelijke vogels trekken weg naar de kusten van de Golf en het zuidelijke Atlantische gebied; de plaatsen ten noorden van Ocean County in New Jersey zijn verlaten en in North Carolina is hij sterk teruggelopen. In het westen zit een groep het hele jaar in de moerassen langs de benedenloop van de Colorado en de kanalen in de Imperial Valley, in Arizona en zuidoostelijk Californië, en verder in de baai van San Francisco en in de uitlopers van de Sierra Nevada. Tussen 1989 en 2001 nam die westelijke groep sterk in aantal af.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in mei of juni na middernacht naar een dijk of een pad langs de landzijde van een kwelder of een natte weide en blijf staan luisteren; de drielettergrepige roep draagt ver over vlak land. Loop het moeras niet in: de nesten liggen op de grond, de vogels vliegen nauwelijks op, en voor een beschermde soort geldt bovendien dat het lokken met geluid niet is toegestaan. Rustig wachten op een windstille nacht levert meer op dan zoeken bij daglicht, want overdag komt hij niet uit de dekking.
Staat van instandhouding
De IUCN beschouwt de soort als bedreigd (EN). De oostelijke ondersoort Laterallus jamaicensis jamaicensis is in oktober 2020 onder de Amerikaanse Endangered Species Act als 'threatened' aangewezen, na een scherpe afname over vrijwel het hele areaal. De bedreigingen zijn het verdwijnen en versnipperen van moeras, veranderde waterhuishouding, maaien en branden op het verkeerde moment, begrazing, roofdieren en vervuiling; daarbovenop komt de zeespiegelstijging, die juist de hoge kwelder wegneemt waarin hij leeft. Hoeveel vogels er over zijn is niet goed bekend, doordat de soort alleen 's nachts en op het gehoor te tellen is.
Wetenschappelijke naam
Laterallus jamaicensis | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Rallus jamaicensis, in de dertiende uitgave van Linnaeus' Systema Naturae; omdat ze later naar een ander geslacht is overgebracht, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Laterallus werd in 1855 ingevoerd door Gray en zet het Latijnse latus ('zijde, flank') naast de geslachtsnaam Rallus. jamaicensis betekent 'van Jamaica', want daar kwam het beschreven exemplaar vandaan. Naast de oostelijke vogels wordt de westelijke groep als Laterallus jamaicensis coturniculus onderscheiden, met een eigen beschermingsstatus in Californië.



