Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Rallen › Gele Ral
Gele Ral | Coturnicops noveboracensis
Yellow Rail | Polluela Amarilla
De gele ral is een klein, geelbruin raltje van ondiepe zeggemoerassen dat vrijwel alleen 's nachts van zich laat horen en overdag zelden een stap in het open doet. Wie hem wil zien moet hem opjagen, en dan is het enige wat blijft hangen de witte vlek in de vleugel. Van het broedgebied ligt ongeveer negen tiende in Canada.
Geluid
De zang is een droog, insectachtig getik, dat het geluid van twee tegen elkaar geslagen steentjes of muntstukken benadert: tik-tik, tik-tik-tik, in een vaste maat van twee en drie, minutenlang achter elkaar. Op een windstille nacht draagt dat een paar honderd meter ver. Er wordt vrijwel uitsluitend na zonsondergang geroepen, in mei en juni, en het hardst rond middernacht; een vogel antwoordt soms op twee muntstukken die iemand aan de rand van het moeras tegen elkaar tikt. Buiten de broedtijd zwijgt hij bijna helemaal.
Opname: Tom Forwood Jr. — CC BY-NC-SA 4.0 · Three Forks, Gallatin County, Montana, United States · xeno-canto
Herkenning
Een klein raltje van 13 tot 18 cm en 40 tot 70 gram, met korte, afgeronde vleugels, een korte stompe snavel en voor zijn maat lange poten. De bovendelen zijn geelbruin met brede zwarte lengtestrepen, dwars doorsneden door fijne witte streepjes, wat van dichtbij een geruit patroon geeft. Gezicht en borst zijn bleekgeel, met een donkere vlek op de wang; de snavel is geelachtig bij broedende mannetjes en verder groenig grijs. Het beste kenmerk is alleen in vlucht te zien: een groot wit vlak op de binnenste handpennen en armpennen, dat bij een opvliegende vogel oplicht. Hij vliegt zelden en dan kort, laag en met bungelende poten, om binnen enkele tientallen meters weer in de zegge te vallen. Jonge vogels zijn doffer, met fijne dwarsstreepjes op nek en flanken.
Verwarringssoorten
De soraral leeft in hetzelfde moeras maar is bijna twee keer zo groot, heeft een grijze borst, een korte gele kegelsnavel en geen wit in de vleugel; een jonge soraral is geelbruin en wordt daardoor het vaakst voor een gele ral aangezien. De zwarte dwergral is nog kleiner en donker leigrijs met witte spikkels en een roodbruine nek, zonder de gele grondkleur en zonder witte vleugelvlek. De virginiaral is groter, roodbruin op de borst en heeft een lange, iets gebogen rode snavel. Bij een vogel die uit het gras opvliegt beslist de witte armpenvlek de zaak binnen een seconde.
Leefgebied
Ondiepe zeggemoerassen en natte hooilanden waar het water niet dieper staat dan een hand breed en waar een laag afgestorven zegge van het vorige jaar over de bodem ligt; die laag gebruikt hij als dak. In het boreale deel van het areaal zijn dat venen en zeggerijke laagten in het muskeglandschap. In de winter zit hij in de hoger gelegen, drogere delen van de kwelders met slijkgras, in vochtige weilanden vlak achter de kust en in rijstvelden. Diep rietland met lisdodde en open water gebruikt hij niet.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Hij broedt van de Northwest Territories en het noorden van Brits-Columbia oostwaarts door Alberta, Saskatchewan, Manitoba, Ontario en Quebec tot New Brunswick, en in de Verenigde Staten in Minnesota, Wisconsin, Michigan, de Dakota's, Montana en plaatselijk in Maine. Een afzonderlijke populatie zit in de natte zeggeweiden van het Klamathbekken in zuidelijk Oregon, met Klamath Marsh, Sycan Marsh, Summer Lake en de Wood River Valley als vaste plaatsen. Overwinterd wordt in een smalle band langs de kust, van de Carolina's door Florida en westwaarts langs de Golf tot Zuid-Texas. De trek gaat 's nachts, in september en oktober en terug in april en begin mei, en onderweg wordt hij zelden opgemerkt; af en toe belandt een vogel in een stadspark of op een parkeerterrein.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in juni na zonsondergang naar de rand van een zeggeweide en luister: het tikken in twee-en-drie is op honderden meters te horen en verraadt hem waar geen kijker helpt. Twee muntstukken tegen elkaar tikken lokt soms een vogel dichterbij, maar loop het broedgebied niet in. In de winter is hij te vinden in de kwelders langs de Golfkust, waar hij pas opvliegt als iemand er vlak langs loopt; wees dan klaar voor de witte vlek in de vleugel, want veel meer krijg je niet te zien.
Staat van instandhouding
Op de Rode Lijst staat hij als niet bedreigd (LC), maar de Noord-Amerikaanse populatie is in vijftig jaar met meer dan de helft afgenomen en hij staat op de aandachtslijst van soorten die op een kantelpunt staan. De Canadese populatie wordt op ongeveer tienduizend volwassen vogels geschat, met veel onzekerheid rond dat getal. De grootste druk komt van het draineren en omzetten van zeggeweiden, van veranderde waterstanden, van struik- en boomopslag na het wegvallen van branden, en van maaien en beweiden in het broedseizoen. Een geïsoleerde populatie in Mexico is mogelijk verdwenen.
Wetenschappelijke naam
Coturnicops noveboracensis | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Fulica noveboracensis, in de dertiende uitgave van Linnaeus' Systema Naturae; omdat ze later naar een ander geslacht is overgebracht, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Coturnicops werd in 1855 ingevoerd door Gray; de naam zet het Latijnse coturnix ('kwartel') naast het Griekse ops ('uiterlijk'), naar de gedrongen bouw en het gestreepte kleed. noveboracensis betekent 'van New York', naar Novum Eboracum, de Latijnse naam van die stad. De typelocatie is dan ook opgegeven als New York.




