Alle soorten › Zangvogels › Muggenvangers › Zwartkapmuggenvanger

Zwartkapmuggenvanger | Polioptila nigriceps

Black-capped Gnatcatcher | Perlita capirotada

De zwartkapmuggenvanger is een kleine, blauwgrijze muggenvanger van de doornstruwelen en het tropisch loofbos van Noordwest-Mexico. In het gidsgebied raakt hij alleen Zuid-Arizona, waar sinds de jaren tachtig af en toe een paar in de canyons van de grensbergen broedt.

Zwartkapmuggenvanger (Polioptila nigriceps)
Foto: Dominic Sherony — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een lange, onregelmatige aaneenschakeling van hese en piepende tonen, minder scherp afgebakend dan de korte strofen van de blauwgrijze muggenvanger. De roep is een nasaal, miauwend mjieuw, doorgaans twee tot vier keer achter elkaar herhaald en in toon dalend — het beste kenmerk in het veld, omdat het uiterlijk zo dicht bij de verwante soorten ligt.

Luister: RoepXC564906

Opname: Isain Contreras Rodríguez — CC BY-NC-SA 4.0 · Topolobampo, Ahome, Sinaloa, Mexico · xeno-canto

Herkenning

Blauwgrijs van boven, wit van onderen, met een dunne rechte snavel en een lange staart die vaak wordt opgehouden. Het mannetje heeft in de broedtijd een glanzend zwarte kap die tot achter en onder het oog doorloopt, tot voorbij de plek waar het oog zit; een witte oogring ontbreekt dan. De staart is van onderen grotendeels wit: de drie buitenste veerparen zijn vrijwel geheel wit, wat meer wit is dan bij de verwante soorten. Het vrouwtje mist de zwarte kap en heeft een dunne, onvolledige witte oogring.

Verwarrings­soorten

De blauwgrijze muggenvanger lijkt het meest op hem: het mannetje daarvan heeft alleen een zwarte wenkbrauwstreep in plaats van een volle kap, houdt zijn witte oogring ook in de zomer, en heeft een kortere snavel. De zwartkapmuggenvanger heeft een langere snavel, een langere staart en meer wit in de buitenste staartveren. De zwartstaartmuggenvanger heeft een van onderen overwegend zwarte staart met witte dwarsbandjes en een zwarte kap die niet zo ver naar achteren doorloopt. Ga bij twijfel op de roep af.

Leefgebied

In het noorden doornstruweel en mesquitebosjes langs droogvallende beken en in canyonbodems; verder zuidwaarts tropisch loofbos en doornbos, meestal beneden vijfhonderd meter. In Arizona gaat het om dichte begroeiing van mesquite (doornige peulstruik van het zuidwesten, vormt dichte bosjes), netelboom en eik in canyons van de grensbergen, iets hoger dan de soort in Mexico gewend is. Hij foerageert laag en middelhoog in het struikgewas, waarbij hij met de staart zijwaarts wipt en insecten van bladeren plukt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het areaal beslaat de westelijke helling van Mexico: de nominaatvorm van centraal Sinaloa zuidwaarts door Nayarit en Jalisco tot Colima, de vorm restricta van Oost-Sonora door Noord-Sinaloa. In de Verenigde Staten is de soort pas sinds 1971 bekend en broedt hij onregelmatig in enkele canyons van Zuidoost-Arizona, waaronder Patagonia, Sonoita Creek en de Santa Rita- en Atascosa-bergen; het gaat om hooguit enkele paren per jaar en niet elk jaar. Buiten de broedtijd is hij in Mexico deels zwervend.

  • Jaarrond
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

In Arizona is Patagonia in het vroege voorjaar de beste kans: luister naar de reeks dalende miauwtonen en zoek een mannetje dat de kap nog volledig zwart heeft. Bekijk een verdachte vogel altijd van onderen en van achteren, zodat je de kap tot achter het oog en de brede witte staartranden kunt beoordelen; een vogel die je alleen van opzij ziet, is meestal niet met zekerheid van de blauwgrijze muggenvanger te scheiden.

Staat van instandhouding

De soort staat als niet bedreigd (LC) te boek: het Mexicaanse areaal is groot en de aantallen zijn er hoog. Het droge loofbos van de westelijke kustvlakte gaat wel achteruit door omzetting in akkers en weiland en door houtkap, en die verandering wordt niet systematisch gevolgd. De populatie in Arizona is te klein om eigen betekenis te hebben en hangt volledig van aanvoer uit Sonora af.

Wetenschappelijke naam

Polioptila nigriceps | Baird, 1864

Baird beschreef de soort in 1864 als Polioptila nigriceps, naar een exemplaar uit Mazatlán in Sinaloa; omdat ze nog altijd in hetzelfde geslacht staat, blijven auteur en jaartal zonder haakjes. Het geslacht Polioptila werd in 1855 ingevoerd door Philip Lutley Sclater, uit het Griekse polios 'grijs' en ptilon 'veer'. De soortnaam nigriceps is Latijn: niger 'zwart' en -ceps 'met de kop', dus 'zwartkoppig' — hetzelfde kenmerk dat de Nederlandse, Engelse en Spaanse naam noemen.