Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Zwartkintowie
Zwartkintowie | Melozone aberti
Abert's Towhee | Toquí de Abert
De zwartkintowie heeft het kleinste areaal van alle towies: hij hoort bij de rivierdalen van de Sonorawoestijn, vooral het stroomgebied van de Colorado en de Gila. Ruim negentig procent van de wereldpopulatie zit in Arizona. De zwarte vlek rond snavel en kin is het kenmerk waaraan hij zijn Nederlandse naam dankt.
Geluid
De zang van het mannetje is een eenvoudige reeks heldere, staccato piep-notities op één toonhoogte, meestal ingeleid door één lagere noot. Kenmerkender is het duet van een paar: een snelle brij van krassende, gierende noten, die de vogels tegelijk uitstoten en die je in dicht struweel meteen op het spoor zet. Daarnaast klinkt een hoge, ringende siep als contact- en alarmnoot. Bij het opvliegen is soms het klapperen van de vleugels hoorbaar.
Opname: Scott Crabtree — CC BY-NC-SA 4.0 · Finisterra, Pima County, Arizona, United States · xeno-canto
Herkenning
Een grote, langstaartige, egaal grijsbruine gors zonder streping, met een roestbruin veld onder de staart. Kenmerkend is het zwarte masker: een zwartachtige vlek rond de bleke snavel, over de teugels en op de kin, die tegen de grijsbruine kop afsteekt. De staart is met tien tot twaalf centimeter lang, waardoor de vogel eerder aan een spotlijster dan aan een gors doet denken. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk. Hij foerageert op de grond met een dubbele achterwaartse schraapbeweging.
Verwarringssoorten
De bruine towie is lichter, mist het zwarte masker en heeft juist een roodbruine kruin, een gestreepte keelkrans en een donkere borstvlek; hij zit bovendien op droge, stenige hellingen in plaats van in rivierstruweel. De Californische towie overlapt alleen in het uiterste zuidoosten van Californië en heeft een oranjeachtige keelrand met fijne streepjes in plaats van een zwart masker. De roodbuikspotlijster, die vaak in hetzelfde struikgewas zit, heeft een lange, sterk gebogen snavel en mist het zwarte masker.
Leefgebied
Oorspronkelijk populieren-wilgenbos en mesquitebosjes langs de laaglandrivieren van de Sonorawoestijn; daarvan is nog ongeveer vijf procent over. De soort gebruikt nu ook opstanden van de ingevoerde tamarisk en tuinwijken met dichte beplanting, van Phoenix tot Tucson. Overdag blijft hij het liefst onder dicht struikgewas. Insecten vormen in de zomer meer dan 95 procent van het voedsel en in de winter nog meer dan 70 procent: kevers, mieren, sprinkhanen, cicaden en rupsen, aangevuld met zaden van grassen en amarantachtigen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Standvogel van Centraal- en Zuid-Arizona, Zuidoost-Californië, het uiterste zuiden van Nevada, Zuid-Utah langs de Virgin River, het zuidwesten van New Mexico en het noordwesten van Sonora tot in de delta van de Colorado in Neder-Californië. Trek ontbreekt; jonge vogels verplaatsen zich hooguit langs de rivierlopen. Aan de randen van het areaal volgt het voorkomen bijna precies de loop van de rivieren.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De duetten zijn de snelste ingang: loop in de vroege ochtend langs een rivierpad of een woestijnpark in Phoenix of Tucson en wacht op de krassende brij uit het struweel. De vogel komt zelden ver open; let op de lange staart die uit de struik steekt en op de bleke snavel met de zwarte omlijsting.
Staat van instandhouding
De IUCN beschouwt de soort als niet bedreigd (LC). Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de broedpopulatie op 840.000 vogels en noteert sinds 1970 een toename van naar schatting twintig procent; de Continental Concern Score (de Noord-Amerikaanse zorgscore van 1 tot 20) is 12 van de 20. Daar staat tegenover dat tot 95 procent van het oorspronkelijke rivierbos in het Zuidwesten is omgezet in landbouw of bebouwing of is aangetast door waterwinning en begrazing. Herstel van oeverbos en het weren van vee, uitgevoerd voor de bedreigde zuidwestelijke wilgentiran, levert ook deze soort leefgebied op.
Wetenschappelijke naam
Melozone aberti | (Baird, 1852)
Spencer Fullerton Baird beschreef de soort in 1852 als Pipilo aberti; omdat ze later naar Melozone verhuisde, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Melozone komt van het Griekse mēlon 'wang' en zōnē 'gordel, band'. De soortnaam aberti eert de Amerikaanse officier en ornitholoog James William Abert (1820–1897), die het type verzamelde tijdens een militaire verkenning. De typelocatie stond eerst als 'New Mexico' te boek en werd in 1962 door Allan Phillips beperkt tot de omgeving van Gila Bend in Maricopa County, Arizona.





