Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Bruine towie
Bruine towie | Melozone fusca
Canyon Towhee | Rascador pardo
De bruine towie is de towie van de droge, stenige heuvels van het Amerikaanse Zuidwesten en de Mexicaanse hoogvlakte. Het is een grote, effen bruine grondvogel met een lange staart, die het hele jaar in hetzelfde territorium blijft en zich vaker laat horen dan zien.
Geluid
De zang is een reeks van zes tot acht tweedelige lettergrepen, tsjili-tsjili-tsjili, die een tot twee seconden duurt en vaak wordt ingeleid door een roepnoot; tempo en patroon verschillen sterk per vogel. De gewone roep is een laag, tweedelig sje-dup. Een paar houdt contact met een hoge, dunne siep, die ook als alarm dient: jongen in het nest vallen er stil van. Foeragerende paren staan soms tegenover elkaar reeksen van die noten uit te wisselen, met knikkende kop en opgezette veren.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een grote, langbenige en langstaartige gors, aardbruin van boven en iets lichter van onderen, met een roodbruine kruin die van de rug afsteekt. De keel is bleek en omrand door een krans van fijne donkere streepjes, met daaronder één losse donkere vlek midden op de borst. Onder de staart zit een roestbruin veld. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk. De vogel loopt en hipt over de grond en schraapt met beide poten tegelijk naar achteren.
Verwarringssoorten
De californische towie overlapt niet in areaal en mist de roodbruine kruin, de duidelijke keelkrans en de borstvlek; die soort is egaler grijsbruin met alleen een oranje keelrand. De zwartkintowie is donkerder, heeft een zwarte vlek rond snavelbasis en kin en houdt zich aan rivierbegroeiing van lage woestijn, niet aan stenige hellingen. De gevlekte towie is zwart met witte stippen en roodbruine flanken en is niet te verwarren zodra je hem ziet.
Leefgebied
Rotsige hellingen, arroyo's, woestijngrasland met verspreide struiken, mesquitebosjes langs beken en de randen van dorpen en steden. Hoger op, vooral in Mexico, komt hij tot in pinyon-jeneverbesbos en in dennen-eikenbos. Hij foerageert bijna altijd op de grond, onder struiken of op open zand, en zoekt zaden van grassen, zuring, muur en lupine, aangevuld met bessen en met insecten, duizendpoten, slakken en spinnen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Standvogel van Arizona, Nieuw-Mexico, West- en Midden-Texas, Zuid-Colorado en de westelijke punt van Oklahoma, en verder zuidwaarts over de Mexicaanse hoogvlakte tot Michoacán, Puebla en noordwest-Oaxaca. Van de wereldpopulatie zit ongeveer 41 procent in de Verenigde Staten en 59 procent in Mexico. Trek is er niet; hooguit een verschuiving over enkele honderden meters hoogte in de winter.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem op parkeerplaatsen, campings en picknickplekken in woestijnparken: daar loopt hij open en weg van struiken. Ga af op het lage, tweedelige sje-dup en let dan op de combinatie van roodbruine kruin, gestreepte keelkrans en één donkere borstvlek — dat drietal sluit alle andere towies uit.
Staat van instandhouding
Partners in Flight schat de wereldpopulatie op tien miljoen vogels en geeft de soort 9 van de 20 punten op de schaal van continentale zorg. Tussen 1966 en 2015 was de trend stabiel, met plaatselijke afname in het midden van het areaal. Ontginning van beekbegeleidende begroeiing in het Zuidwesten kostte leefgebied, maar de soort gebruikt akkerranden en tuinwijken. Bij bewoning zijn huiskatten en verwilderde katten de belangrijkste sterfteoorzaak.
Wetenschappelijke naam
Melozone fusca | (Swainson, 1827)
Swainson beschreef de soort in 1827 als Pipilo fusca; omdat ze later naar Melozone verhuisde, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Melozone werd in 1850 ingevoerd door Ludwig Reichenbach, uit het Griekse mēlon 'wang' en zōnē 'gordel, band', naar de koptekening van de Midden-Amerikaanse grondgorzen in dit geslacht. De soortnaam fusca is Latijn voor 'donkerbruin'. Het beschreven exemplaar kwam uit Temascaltepec in de Mexicaanse staat México. De Engelse naam verwijst naar de canyons van het Zuidwesten; tot 1989 gold de soort samen met de californische towie als één soort, de brown towhee.





