Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Gekraagde roodstaart

Gekraagde roodstaart | Phoenicurus phoenicurus

Common Redstart | Colirrojo real | Gartenrotschwanz | חכלילית עצים | Rougequeue à front blanc

Zwarte en gekraagde roodstaart worden vaak met elkaar verward, en de namen misleiden: de bontste van de twee is de gekraagde, terwijl juist de zwarte roodstaart de vogel is die je in ieder dorp ziet. De gekraagde roodstaart is een echte bosvogel van oud, open woud met kale grond eronder — in de Lage Landen grove dennen op de zandgronden, kromme eiken langs een heideveld, hoogstamboomgaarden en boerenerven met een holle knotwilg; op de Britse Eilanden de eikenbossen van het westen, berkenbos in de Hooglanden, oud parklandschap en oude boomgaarden; en verder zuidwaarts, op het Iberisch Schiereiland, rijp bergbos met oude bomen en open plekken, waar hij als broedvogel schaars en plaatselijk is. Op doortrek daarentegen steekt hij het Iberisch Schiereiland bij duizenden over en duikt hij op in elke heg, olijfgaard of tuin. Het mannetje in het voorjaar — wit voorhoofd, zwart gezicht, oranje borst — wordt ondanks die kleuren weinig gezien, omdat hij hoog in de kroon zit en zelden lang op één tak blijft.

Gekraagde roodstaart (Phoenicurus phoenicurus)
Foto: Jerzy Strzelecki — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een korte, weemoedige strofe die altijd op dezelfde manier begint: een gerekt, opgaand hwiet, gevolgd door twee of drie gelijke heldere tonen en daarna een snel, rommelig staartje dat per strofe verandert en waarin geregeld flarden van andere soorten zitten — hwiet-tuu-tuu-tuu-tsjerrr. Dat vaste, opgaande begin is het handvat; de rest is nooit twee keer hetzelfde. Zingt van half april tot in juni, het hardst in het eerste uur na zonsopgang, meestal vanaf een dorre tak hoog in een boom. Roep: een helder, vragend hwiet, vrijwel altijd gevolgd door een of twee klakkende tek-jes, en bij onrust een lange reeks van die tikken.

Luister: ZangXC1132966

Opname: Philippe_Grange — CC0 · xeno-canto

Herkenning

Slanke, rechtop zittende zangvogel met een roestrode staart en stuit die onophoudelijk trilt; dat trillen valt eerder op dan welke kleur ook. Het mannetje in broedkleed heeft een zuiver wit voorhoofd dat als een smalle band boven de snavel doorloopt in een witte wenkbrauwstreep, daaronder een zwart gezicht en een zwarte keel, en daarboven een blauwgrijze kruin en mantel. Borst en flanken zijn warm oranjeroest, de buik lichter. In het najaar liggen er brede grijsbeige veerzomen overheen, zodat het zwart en het wit half wegvallen en het mannetje er dof en vaal uitziet. Het vrouwtje is warm grijsbruin van boven en licht oranjebeige van onder, zonder zwart en zonder wit voorhoofd, met een groot donker oog in een egaal, open gezicht en dezelfde roestrode staart. Jonge vogels zijn geheel geschubd en gevlekt, opnieuw met die staart.

Verwarrings­soorten

Zwarte roodstaart is het enige echte probleem — zie ook de soortpagina van de zwarte roodstaart. Het mannetje daarvan is roetzwart met een grijze kruin en een witte vleugelspiegel, zonder wit voorhoofd en zonder oranje op de borst. Bij de vrouwtjes zit de beslissing in de kleur van de onderdelen: zwarte roodstaart is koud en egaal grijszwart tot roetgrijs, gekraagde roodstaart is warm zandbruin met een duidelijk oranjebeige zweem over borst en buik, en heeft een lichter, opener gezicht en een fijner postuur. De habitat helpt bijna altijd: steen, beton en industrie tegenover oud bos, boomgaard en erf. Jonge roodborsten worden ook wel voor jonge gekraagde roodstaarten gehouden, maar missen de trillende rode staart; de nachtegaal is groter en zwaarder, met een lange, warmbruine staart die hij optilt en spreidt in plaats van laat trillen.

Leefgebied

Oud, open bos met dood hout en weinig ondergroei, waar de vogel vanaf een lage tak op kale bodem kan jagen: oude grove-dennenbossen en eikenstrubben op de zandgronden, heide met vliegdennen, hoogstamboomgaarden, houtwallen, parkbossen, en boerenerven met knotwilgen of oude notenbomen. Het nest zit in een holte: een oud spechtengat, een spleet in een fruitboom, een gat in een muur of een nestkast met een ruime opening. De combinatie van holtes, lage uitkijkposten en open grond eronder is doorslaggevend; een dichte struiklaag maakt het terrein voor hem onbruikbaar.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedt van de Britse Eilanden en Iberië tot ver in Siberië en van Lapland tot de bergen van Noordwest-Afrika; alle vogels overwinteren in de Sahel, ten zuiden van de Sahara. In Noordwest-Europa een zomergast van half april tot september, met het zwaartepunt op de hoge zandgronden en in het heuvel- en bergland — op de Britse Eilanden vooral het westen, het Lake District, de Pennines en de Hooglanden — en schaars in het open boerenland, waar hij vroeger een gewone erfvogel was en sinds de jaren zeventig grotendeels is verdwenen. Op doortrek, in mei en van augustus tot begin oktober, duikt hij overal op, tot in stadstuinen en op de zeewering. In het Middellandse Zeegebied een schaarse broedvogel van oude bossen in het bergland van Noord- en West-Iberië, maar op doortrek zeer talrijk, tot in olijfgaarden en rambla's (brede, droge rivierbedding die alleen bij stortbuien water voert).

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Eind april, het eerste uur na zonsopgang, in een oud dennen-, eiken- of beukenbos of langs een heideveld met verspreide grove dennen — in het bergland van Iberië eind mei: blijf staan en wacht op dat gerekte hwiet uit een boomtop. Heb je de zanger gevonden, kijk dan naar het witte voorhoofd, dat in de zon van grote afstand oplicht. In augustus en september is het veel makkelijker: dan zitten doortrekkers laag in heggen, op prikkeldraad en langs bosranden, in het zuiden in olijfgaarden en rambla's — meestal vrouwtjes en jongen — en dan is de trillende roestrode staart het enige kenmerk dat je nodig hebt; de warme oranje borst scheidt hem van de zwarte roodstaart.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. Op de wintergronden bepaalt de regenval in de Sahel hoeveel vogels terugkomen; een droog jaar daar is het voorjaar daarop in de Europese aantallen af te lezen. Het laten staan van dood hout, oude fruitbomen en holle erfbomen, en het openhouden van de bosbodem, helpen hem het snelst.

Wetenschappelijke naam

Phoenicurus phoenicurus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Motacilla phoenicurus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Phoenicurus werd in 1817 ingevoerd door Forster. Phoenicurus is Grieks, van phoinix 'rood' en -ouros '-staartig'. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.