Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Rode rotslijster
Rode rotslijster | Monticola saxatilis
Rufous-tailed rock thrush | Roquero rojo
Een korte, gedrongen vogel van zonnige berghellingen, die lang bovenop een rotsblok zit en dan opeens in een zwevende zangvlucht omhoog gaat. Het mannetje heeft een blauwgrijze kop, oranjerode onderdelen en een korte oranje staart; toch valt hij makkelijk over het hoofd, want hij leeft waar weinig mensen komen en vrouwtjes en jonge vogels zijn bruin en onopvallend. In Nederland en het overige Noordwest-Europa is hij een grote zeldzaamheid met slechts een handvol gevallen; wie hem wil zien, moet naar de bergen, zoals in Spanje.
Geluid
De zang is een korte reeks zachte, fluitende en enigszins klaaglijke tonen met een rollend, gorgelend tussenstuk, veel voller en warmer dan het gekras van de meeste rotsbewoners, en geregeld doorspekt met nabootsingen. Hij zingt vanaf een rotspunt en, kenmerkender nog, in een zangvlucht: schuin omhoog met snelle vleugelslag, dan met gespreide vleugels en staart parachuterend terug naar de rots. Roep: een kort, hard tsak als twee steentjes, en een dun, opgaand wiet dat vaak vooraf gaat aan het tikken. Te horen van eind april tot in juli, vooral vroeg in de ochtend.
Opname: Thomas SIGNEAU — CC BY-SA 4.0 · xeno-canto
Herkenning
Fors gebouwd, kortstaartig en langsnavelig, met een grote kop en een rechtopstaande houding; op de grond loopt en huppelt hij als een tapuit, niet als een lijster. Het mannetje in broedkleed heeft een blauwgrijze kop, keel en bovenmantel, donkerbruine vleugels, oranjeroestige onderdelen tot onder de staart en een korte oranjerode staart met donkere middenveren. Op de onderrug zit een wit vlak dat vaak schuilgaat onder de vleugels maar in vlucht en bij het strekken ineens opvalt. In vers najaarskleed liggen er brede bleke zomen overheen, zodat de hele vogel geschubd oogt en het blauw dof wordt. Het vrouwtje is bruin, van boven en van onder dicht gegolfd en geschubd, met een bleke oogring en dezelfde korte oranjerode staart — die staart is bij elk kleed het kenmerk waar het op aankomt.
Verwarringssoorten
Blauwe rotslijster is de soort waar het om draait, en de staart beslist het: bij de rode rotslijster is de staart kort en oranjerood, bij de blauwe rotslijster langer en donker blauwgrijs zonder enig rood. Het mannetje blauwe rotslijster is bovendien geheel blauw, zonder oranje onderdelen; het vrouwtje is donkerder, kouder grijsbruin en langer van staart dan het vrouwtje rode rotslijster, dat warmer bruin is en oranje in de staart heeft. Een vrouwtje of jonge vogel wordt met een merel verward, maar de merel is groter, langstaartiger en egaal donker, zonder golving en zonder oranje in de staart. De tapuit deelt de rechte houding en de rotsblokken, maar is veel kleiner, heeft een wit stuitvlak met een zwarte omgekeerde T in de staart en mist elk oranje op het lijf.
Leefgebied
Open, zonnige berghellingen boven de boomgrens of net eronder, waar rotswanden, blokken en puinhellingen afwisselen met korte alpenweide en lage struiken. Foerageert lopend op korte vegetatie en kale grond tussen de stenen, en gebruikt losse blokken, rotsranden en soms ruïnes en oude schaapskooien als uitkijkpost en zangplaats. Het nest zit in een spleet of onder een steen. Hoogte doorgaans tussen 800 en 3.000 meter, in het zuiden van het areaal hoger dan in het noorden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt in de bergen van Noordwest-Afrika, Iberië, Zuid-Frankrijk, de Alpen, de Apennijnen, de Balkan, Turkije en de Kaukasus, en verder oostwaarts door Centraal-Azië tot in Noord-China. De hele populatie overwintert in Afrika ten zuiden van de Sahara, in savanne en open rotsig land van de Sahel tot Oost-Afrika; daarmee is hij binnen ons kaartgebied uitsluitend zomergast. In Spanje broedt hij verspreid over vrijwel alle grote gebergten: de Pyreneeën, de Cantabrische bergen, het Iberisch Scheidingsgebergte, het Centraal Scheidingsgebergte, de Sierra Nevada en de Betische bergketens, overal plaatselijk en in lage dichtheid. In Groot-Brittannië en Nederland is hij een dwaalgast van de allerhoogste zeldzaamheid, met in elk land slechts een handvol aanvaarde gevallen, de meeste in het late voorjaar.
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De Pyreneeën, de Franse Alpen, de Picos de Europa of de Sierra Nevada in de eerste helft van juni, tussen ongeveer 1.500 en 2.200 meter: loop een pasweg of een steenslag af waar korte weide en blokken elkaar afwisselen, en zoek naar een vogel die op de hoogste steen in de omtrek zit. Op afstand valt eerst het oranje op, niet het blauw. Werkt dat niet, wacht dan op de zangvlucht — de parachuterende terugkeer naar de rots is van honderden meters te herkennen en verraadt de soort ook als de kleuren tegen de zon wegvallen.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, maar in West- en Midden-Europa al decennia in de terugtocht: in de Alpen, de Jura, de Franse Midi en delen van Iberië zijn de laagste broedplaatsen verlaten en schuift de soort omhoog. De oorzaken lopen samen: het verdwijnen van extensieve schapen- en geitenbegrazing waardoor de korte, open weide dichtgroeit met struiken, en warmere zomers waardoor de geschikte zone hoger komt te liggen dan de bergen reiken. In Turkije, de Kaukasus en de Balkan is de stand veel stabieler.
Wetenschappelijke naam
Monticola saxatilis | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als [Turdus] saxatilis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Monticola werd in 1822 ingevoerd door Boie. Monticola is Latijn voor 'bergbewoner', van mons, montis 'berg' en colere 'bewonen'. saxatilis is Latijn voor 'tussen de rotsen levend', van saxum 'rots'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zwitserland.




