Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Grote kanoet
Grote kanoet | Calidris tenuirostris
Great Knot | Correlimos grande | Großer Knutt | חופית גדולה | Bécasseau de l'Anadyr
De grootste strandloper van het geslacht Calidris, en tegelijk de zwaarst getroffen. Wie er in Europa een ziet, kijkt naar een vogel die duizenden kilometers is afgedwaald van een route die van de Siberische bergtoendra naar de Australische wadplaten loopt.
Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.
Geluid
Zwijgzaam, zelfs voor een strandloper. Bij het opvliegen soms een laag tweelettergrepig njoet-njoet, en uit een groep een zacht knorrend tsjoek. Een dwaalgast tussen andere steltlopers verraadt zich vrijwel nooit met geluid.
Opname: Christian A. Jensen — CC BY-NC-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Fors en kortpotig, merkbaar groter en zwaarder dan de kanoet, met een langere zwarte snavel die aan de punt iets neerwaarts buigt en donker olijfgroene poten. In zomerkleed een dichte zwarte vlekkenkraag die tot op de flanken doorloopt, met een rossige vlek op de schouderveren en daaronder een witte buik. In winterkleed grijs, maar met duidelijke donkere streping op borst en flanken, een witte fijn gebandeerde stuit en een smalle witte vleugelstreep.
Verwarringssoorten
De kanoet is de enige echte valkuil: kleiner, korter van snavel, in winterkleed egaal grijs over de borst en in zomerkleed baksteenrood tot op de buik. De grote kanoet houdt in elk kleed een witte buik onder de zwarte borstvlekken. Rosse grutto is veel langer van snavel en poten, de bonte strandloper nauwelijks half zo zwaar.
Leefgebied
Buiten de broedtijd strikt een vogel van uitgestrekte getijdenplaten van zand en slib, waar hij tastend naar tweekleppigen prikt; slaapt op aangrenzende zandstranden, kwelders en zoutpannen. Broedt op stenige, met korstmos begroeide bergtoendra in Noordoost-Siberië, ruwweg tussen driehonderd en zestienhonderd meter.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van de bergen van Noordoost-Siberië, overwinterend van Arabië en het Indisch subcontinent via Zuidoost-Azië tot vooral Noordwest-Australië; vrijwel de hele populatie tankt onderweg bij op de wadplaten van de Gele Zee. In het Westelijk Palearctisch gebied is de soort zeer zeldzaam: het regelmatigst nog in het zuidoosten van Arabië, met een handvol gevallen in Noordwest-Europa en Noordwest-Afrika.
Hoe en wanneer kijken
Deze vogel zoek je niet, die herken je. Kam in augustus of september een grote groep kanoeten op het wad of langs de vloedlijn uit en let op één vogel die een maat groter oogt, met een langere snavel, een gevlekte borst en een zwaardere, tragere loop. Scan de voorste rand van de groep terwijl het opkomende water de vogels opschuift: daar laat een afwijkende vogel zich het eerst zien.
Staat van instandhouding
Bedreigd (IUCN: Endangered). De soort leunt volledig op de wadplaten van de Gele Zee, waarvan meer dan de helft is ingepolderd; na de sluiting van de zeedijk bij Saemangeum in Zuid-Korea in 2006 verdwenen naar schatting negentigduizend vogels. Vervuiling van estuaria, verstoring van hoogwatervluchtplaatsen en jacht langs de trekroute komen daar bovenop.
Wetenschappelijke naam
Calidris tenuirostris | (Horsfield, 1821)
Horsfield beschreef de soort in 1821 als Totanus tenuirostris; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calidris werd in 1804 ingevoerd door Merrem. Calidris gaat terug op het Griekse kalidris of skalidris, bij Aristoteles de naam van een niet nader bepaalde grijze oevervogel. tenuirostris is Latijn, van tenuis 'slank' en rostrum 'snavel'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Java.


