Alle soorten › Steltloperachtigen › Scholeksters › Afrikaanse zwarte scholekster
Afrikaanse zwarte scholekster | Haematopus moquini
African Oystercatcher | Ostrero Negro Africano
De Afrikaanse zwarte scholekster is een geheel zwarte kustvogel met een felrode snavel, een rode oogring en roze poten, en komt alleen voor langs de kusten van Namibië en Zuid-Afrika. Paren houden jaar na jaar hetzelfde stuk rotskust of strand bezet en zijn daar goed herkenbaar aan hun luide, hoge roep.
Geluid
Een luid, schel, fluitend klee-eep of kleep, als alarm snel herhaald. Paren roepen in duet een snelle, opgewonden reeks kleep-kleep-kleep met gebogen kop en omlaag gerichte snavel; bij verstoring van het nest een aanhoudend, doordringend gepiep.
Opname: Walter Wallner — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
42–45 cm. Volwassen vogels zijn egaal glanzend zwart, zonder enig wit in vleugel of staart. De snavel is lang, recht, zijdelings afgeplat en oranjerood, aan de punt iets bleker; het oog is rood met een oranjerode oogring. De poten zijn kort, dik en dofroze. Het vrouwtje heeft gemiddeld een duidelijk langere snavel. Jonge vogels zijn bruinzwart met bleke veerzomen, een doffere, aan de punt donkere snavel en grijsachtige poten; de volle kleur is pas na ongeveer drie jaar bereikt.
Verwarringssoorten
De scholekster Haematopus ostralegus, een zeldzame gast aan de kust, is onmiskenbaar zwart-wit met een witte buik, een witte vleugelstreep en een witte stuit. Op afstand kan een zwarte vogel op de rotsen ook een aalscholver of een jonge kelpmeeuw Larus dominicanus zijn, maar geen van beide heeft de rode snavel en het gedrongen scholeksterpostuur.
Leefgebied
Rotskusten, zandstranden, estuaria en kustlagunes, en de rotsige eilanden voor de kust. Foerageert in de getijdenzone op mosselen, napslakken, wormen en schaaldieren; mosselen worden opengewrikt of opengehamerd. Het nest is een ondiep kuiltje boven de hoogwaterlijn, op een eiland, op een strand of tussen de duinen, vaak met schelpjes of steentjes bekleed.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Endemisch broedvogel van Namibië en Zuid-Afrika: langs de kust van ongeveer Lüderitz zuidwaarts via de Weskus en het Kaapse Schiereiland tot in de Oost-Kaap bij Mazeppa Bay. De grootste aantallen broeden op de eilanden van de West-Kaap en in Algoa Bay. Niet-broedende en jonge vogels zwerven noordwaarts tot voorbij Walvisbaai en zeldzaam tot in het zuiden van Angola, en oostwaarts tot in KwaZulu-Natal en zelden het zuiden van Mozambique.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Op vrijwel elke rotskust tussen Lüderitz en Oost-Londen, het best bij laag water wanneer de mosselbanken droogvallen. Goede plekken zijn het Kaapse Schiereiland, de Weskus rond Langebaan en de Tuinroute. Het broedseizoen loopt van november tot april, midden in het strandseizoen: blijf uit de buurt van paren die roepend om je heen lopen, want nest en kuikens liggen onopvallend in het zand.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd sinds 2017, eerder gevoelig. De populatie telt ruim 6000 volwassen vogels en is toegenomen. Die groei hangt samen met het verbod op terreinwagens op Zuid-Afrikaanse stranden sinds 2001 en met de ingevoerde Middellandse-Zeemossel, die een extra voedselbron vormt. Verstoring door strandgangers en honden, predatie door kelpmeeuwen en olievervuiling blijven bedreigingen voor het broedsucces.
Wetenschappelijke naam
Haematopus moquini | Bonaparte, 1856
Bonaparte beschreef de soort in 1856 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Haematopus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Haematopus is Grieks, van haima 'bloed' en pous 'voet', naar de rode poten. moquini eert de Franse natuuronderzoeker Alfred Moquin-Tandon (1804–1863). Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Afrika (niet nader bepaald).

