Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Kelpmeeuw
Kelpmeeuw | Larus dominicanus
Kelp Gull | Gaviota Dominicana
De kelpmeeuw is de enige grote meeuw die in zuidelijk Afrika broedt: een zware, zwartrugmeeuw die langs de hele zuid- en westkust te zien is, van rotskusten en eilanden tot havens en vuilstortplaatsen. De hier voorkomende vorm vetula, de Kaapse meeuw, wordt soms als aparte soort behandeld.
Geluid
Een luid, langgerekt kiow-kiow-kiow, gevolgd door een lachende reeks met de kop achterovergeworpen; verder een kort, diep kaa en een alarmerend ha-ha-ha.
Opname: African Bioacoustics Community — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
54–65 cm. Een grote, forse meeuw met een zware gele snavel met een rode vlek bij de hoek van de ondersnavel. Volwassen vogels hebben een witte kop, staart en onderdelen, een zwartachtige mantel en vleugels met een smalle witte achterrand en een kleine witte spiegel in de buitenste handpen. Bij de zuidelijk-Afrikaanse vorm is het oog donker en zijn de poten olijfgrijs tot groenig; mannetjes zijn groter en hebben een zwaardere snavel dan vrouwtjes. Onvolwassen vogels zijn donkerbruin, gevlekt en geschubd, met een zwarte snavel en een donkere staart, en krijgen in drie tot vier jaar het volwassen kleed.
Verwarringssoorten
De kleine mantelmeeuw Larus fuscus is kleiner en slanker, met langere vleugels, gele poten, een lichte iris en een fijnere snavel; de mantel is bij de meeste vogels in het gebied iets minder zwart. De grote jager Stercorarius skua en de bruine jager Stercorarius antarcticus kunnen op afstand op onvolwassen kelpmeeuwen lijken, maar hebben witte vlekken aan de basis van de handpennen en een kortere, gedrongen bouw.
Leefgebied
Rotskusten, eilanden, stranden, estuaria, lagunes, havens en vuilstortplaatsen, en soms landbouwgrond vlak achter de kust. Een veelzijdige eter van vis, schelpdieren (die hij op rotsen of wegen laat vallen om ze te breken), visafval, aas, eieren en jongen van andere zeevogels. Broedt in losse kolonies op eilanden, kustrotsen en in duinen, en steeds vaker op daken.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Langs de kust van het uiterste zuiden van Angola via Namibië en de West-Kaap tot de Oost-Kaap en KwaZoeloe-Natal; schaars in het zuiden van Mozambique. Het talrijkst tussen Walvisbaai en Port Elizabeth, met de grootste kolonies op de eilanden van de West-Kaap. Zelden in het binnenland. Daarbuiten langs de kusten van Zuid-Amerika, Nieuw-Zeeland, Australië en de subantarctische eilanden tot het Antarctisch Schiereiland; ook op Madagaskar.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Overal langs de Kaapse kust, in havens als Hout Bay en Kalkbaai, op de eilanden van de Saldanhabaai en op de pieren van Walvisbaai. Bij pinguïnkolonies zoals Boulders loont het de kelpmeeuwen te volgen als eierrovers.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd; de wereldpopulatie is groot en neemt toe. In zuidelijk Afrika is de populatie door afval en visserijresten gegroeid, wat de druk van kelpmeeuwen op eieren en jongen van bedreigde zeevogels als de brilpinguïn en de Kaapse jan-van-gent heeft vergroot. Vogelgriep treft ook deze soort.
Wetenschappelijke naam
Larus dominicanus | Lichtenstein, 1823
Lichtenstein beschreef de soort in 1823 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Larus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Larus is Latijn, ontleend aan het Griekse laros, en sloeg bij de klassieke schrijvers op een meeuw of een andere grote zeevogel. dominicanus verwijst naar de dominicanen, wier zwart-witte habijt doet denken aan het kleed van deze meeuw met zijn zwarte rug en witte kop en buik. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit kust van Brazilië.


