Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Kleine mantelmeeuw
Kleine mantelmeeuw | Larus fuscus
Lesser Black-Backed Gull | Gaviota Sombría
De kleine mantelmeeuw is een slanke, langvleugelige grote meeuw uit Noord-Europa en West-Siberië, die in kleine aantallen tot in zuidelijk Afrika trekt. Vooral aan de oostkust en op grote meren in het noorden van het gebied is hij een schaarse maar geregelde zomergast; aan de West-Kaap moet hij van de veel gewonere kelpmeeuw worden onderscheiden.
Geluid
Een diep, lachend kjauw en een kort ga-ga-ga; in het gebied meestal stil.
Opname: Francesco Sottile — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
51–61 cm. Een grote meeuw met lange, smalle vleugels die ver voorbij de staart uitsteken, een vrij fijne gele snavel met een rode vlek, een lichtgele iris en gele poten. De mantel varieert van donker leigrijs bij de ondersoort heuglini tot vrijwel zwart bij de Baltische ondersoort fuscus, die in het gebied het meest wordt gezien. In winterkleed heeft de kop fijne grijze streepjes. Onvolwassen vogels zijn donkerbruin geschubd, met een zwarte snavel, donkere handpennen zonder lichte binnenvlag en een brede zwarte staarteindband.
Verwarringssoorten
De kelpmeeuw Larus dominicanus is groter en logger, met een zwaardere snavel, olijfgrijze poten, een donker oog, kortere vleugels en een grotere witte achterrand aan de vleugel. De Hemprichs meeuw Ichthyaetus hemprichii heeft een bruine kap, een witte halsband en een tweekleurige, groengele snavel. Onvolwassen kleine mantelmeeuwen zijn lastig van jonge kelpmeeuwen te onderscheiden; let op de slankere bouw, de langere vleugelprojectie en de fijnere snavel.
Leefgebied
Estuaria, lagunes, havens, zandbanken en stranden, en in het binnenland grote meren, stuwmeren en rivieren. Rust vaak tussen grijskopmeeuwen en sterns. Eet vis, schaaldieren, insecten en afval.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Schaars langs de kust van Mozambique en KwaZoeloe-Natal, zeldzamer zuidwestwaarts tot de West-Kaap en langs de Namibische kust. In het binnenland vooral op grote wateren in het noorden: het Karibameer en de Zambezi in Zimbabwe en Zambia, het Malawimeer, het Okavangogebied en de Makgadikgadipannen in Botswana, en af en toe in het Zuid-Afrikaanse hoogveld. Broedt van IJsland en West-Europa tot het noorden van Siberië; de oostelijke vormen trekken via de Nijlvallei en de Grote Slenk naar Oost- en Centraal-Afrika.
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De beste kansen liggen tussen oktober en april op het Karibameer, de zandbanken van de Zambezi en langs de kust bij Maputo en Durban. Een zwartrugmeeuw met gele poten tussen grijskopmeeuwen in het binnenland is vrijwel zeker deze soort.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd; de wereldpopulatie is groot en in West-Europa toegenomen. De Baltische ondersoort fuscus, die veel van de vogels in het gebied levert, is echter sterk achteruitgegaan door voedselgebrek en vervuiling. Zonder bijzondere betekenis voor het behoud in zuidelijk Afrika.
Wetenschappelijke naam
Larus fuscus | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Larus voerde hij in datzelfde werk in. Larus is Latijn, ontleend aan het Griekse laros, en sloeg bij de klassieke schrijvers op een meeuw of een andere grote zeevogel. fuscus is Latijn voor 'donker', zwart of bruin, naar de donkere mantel en vleugels. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.

