Alle soorten › Steltloperachtigen › IJshoenders › Klein ijshoen
Klein ijshoen | Chionis minor
Black-Faced Sheathbill | Picovaina de las Kerguelen
Het kleine ijshoen is een witte, gedrongen kustvogel met een zwart gezicht en een zwarte snavel. Binnen het gebied broedt het alleen op Marion en Prince Edward, de subantarctische Prins Edwardeilanden die bij Zuid-Afrika horen; de soort is standvogel en komt vrijwel nooit aan de vastelandskust.
Geluid
Hese, raspende roepen, een kort kek en een schor kaa-kaa, bij ruzie en balts uitgestoten met op en neer gaande kop en half gespreide vleugels.
Opname: Hichem MACHOUK — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
38–41 cm. Het verenkleed is wit. De korte, dikke snavel is zwart en draagt aan de basis een zwarte hoornachtige schede; het gezicht rond het oog heeft zwarte tot donkerroze vlezige wratten. De poten zijn kort, stevig en roze tot grijsachtig, zonder zwemvliezen; aan de vleugelbocht zit een spoortje. De geslachten zijn gelijk, het mannetje is groter en heeft grotere wratten. Jonge vogels hebben minder wratten en een bruinzwarte snavel. Loopt snel en kippig rond en vliegt weinig en laag.
Verwarringssoorten
De zuidpoolkip Chionis albus heeft een gele tot roze snavel met donkere punt en een licht gezicht; die soort bereikt de vastelandskust als dwaalgast, niet de Prins Edwardeilanden. Op de eilanden zelf is geen andere witte, kippige landvogel aanwezig.
Leefgebied
Rotskusten, stenen stranden en de rand van pinguïn-, zeehonden- en zeeolifantkolonies, tot enkele honderden meters landinwaarts in het vegetatiegebied achter de kust. Een aaseter en rover van eieren en kuikens van pinguïns en stormvogels, die ook voedsel onderschept tussen pinguïnouders en jongen en kadavers, uitwerpselen, nageboortes en ongewervelden in wier en mos opzoekt. Het nest ligt in een rotsspleet of een holte tussen stenen, meestal dicht bij een pinguïnkolonie.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Binnen het gebied alleen op de Prins Edwardeilanden (Marion en Prince Edward) in de zuidelijke Indische Oceaan, ruim 1.700 km ten zuidoosten van Kaap de Goede Hoop, als endemische ondersoort marionensis. Verder op de Crozeteilanden, de Kerguelen en Heard en McDonald. Van het vasteland van Afrika is de soort nauwelijks bekend.
Hoe en wanneer kijken
Alleen te zien met een bezoek aan het onderzoeksstation op Marion, dat voor gewone bezoekers niet toegankelijk is. Voor de meeste vogelaars blijft de soort dus een eilandbewoner; wie op een tocht door de zuidelijke Indische Oceaan de Crozet of de Kerguelen aandoet, vindt hem bij elke pinguïnkolonie.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd; de wereldpopulatie telt enkele duizenden paren en is stabiel. Op Marion hebben verwilderde katten de soort tot hun uitroeiing rond 1991 onder druk gezet; ingevoerde huismuizen vormen nog een bedreiging voor het voedselaanbod aan ongewervelden. Verandering in pinguïnaantallen werkt direct door in het voedsel.
Wetenschappelijke naam
Chionis minor | Hartlaub, 1841
Hartlaub beschreef de soort in 1841 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Chionis werd in 1788 ingevoerd door Forster. Chionis komt van het Griekse chiōn, 'sneeuw' — naar het geheel witte verenkleed van deze vogels van de subantarctische kusten. minor is Latijn voor 'kleiner' — deze soort is kleiner dan de verwante zuidpoolkip. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kerguelen.
