Alle soorten › Steltloperachtigen › IJshoenders › Zuidpoolkip
Zuidpoolkip | Chionis albus
Snowy Sheathbill | Picovaina de las Malvinas
De zuidpoolkip is een gedrongen, geheel witte kustvogel met de bouw van een duif en het gedrag van een kip. Hij broedt op het Antarctisch Schiereiland en de eilanden van de Scotiazee en bereikt de Zuid-Afrikaanse kust alleen als dwaalgast, vaak na een lift op een schip uit het zuiden.
Geluid
Meestal stil buiten de broedkolonies. Hese, krassende roepen, een kort kek of kaak, en bij ruzie en baltsen een reeks schorre kreten met op en neer gaande kop.
Opname: Andrew Spencer — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
34–41 cm. Het verenkleed is sneeuwwit. De korte, dikke snavel is geelachtig tot roze met een donkere punt en draagt aan de basis een hoornachtige schede over de neusgaten; rond het oog en op de wangen zitten roze tot geelachtige vlezige wratten. De poten zijn kort, stevig en blauwgrijs tot zwartachtig, zonder zwemvliezen; aan de vleugelbocht zit een klein spoortje. De geslachten zijn gelijk, het mannetje is groter. Jonge vogels hebben een donkerder snavel en minder wratten. Loopt kippig rond en vliegt met snelle, duifachtige vleugelslagen.
Verwarringssoorten
Het kleine ijshoen Chionis minor van de Prins Edwardeilanden heeft een zwarte snavel met zwarte schede en een zwart gezicht; het komt vrijwel nooit aan de vastelandskust. Een witte of bleke rotsduif Columba livia heeft een dunne snavel en rode poten en mist de wratten. Ook een witte tamme kip of een albinistische meeuw kan verwarring geven, maar geen daarvan combineert de gedrongen bouw met de snavelschede.
Leefgebied
Rotskusten, stranden met aangespoeld wier, havens en zeehonden- en pinguïnkolonies. Een aaseter en opportunist die eieren en kuikens steelt, voedsel onderschept tussen volwassen pinguïns en hun jongen, en kadavers, uitwerpselen, wier en afval afzoekt. Op schepen leeft hij van keukenafval, wat de lange oversteek naar het noorden verklaart.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Binnen het gebied een onregelmatige dwaalgast aan de kust van Zuid-Afrika, met de meeste meldingen in de West- en Oost-Kaap en enkele in KwaZoeloe-Natal en Namibië; een deel van de vogels is met schepen meegereisd. Broedt op het Antarctisch Schiereiland, de Zuidelijke Shetlandeilanden, de Zuidelijke Orkneyeilanden en Zuid-Georgië, en trekt in de zuidelijke winter naar Patagonië en de Falklandeilanden.
Hoe en wanneer kijken
Meldingen vallen vooral in de zuidelijke winter en betreffen vaak vogels in havens als Kaapstad, Saldanha en Port Elizabeth (Gqeberha), soms langdurig ter plaatse. Controleer pinguïnkolonies en de kades waar vissers- en onderzoeksschepen uit de Zuidelijke Oceaan aanmeren; de vogels zijn tam en laten zich van dichtbij bekijken.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd; de wereldpopulatie wordt geschat op enkele tienduizenden vogels en is stabiel. De soort is afhankelijk van pinguïn- en zeehondenkolonies en daarmee gevoelig voor veranderingen in het Antarctische voedselweb. Menselijke stations bieden plaatselijk extra voedsel.
Wetenschappelijke naam
Chionis albus | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Vaginalis alba; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Chionis werd in 1788 ingevoerd door Forster. Chionis komt van het Griekse chiōn, 'sneeuw' — naar het geheel witte verenkleed van deze vogels van de subantarctische kusten. albus is Latijn voor 'wit' — naar het sneeuwwitte verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Falklandeilanden.

