Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Rallen › Knobbelmeerkoet

Knobbelmeerkoet | Fulica cristata

Red-Knobbed Coot | Focha Moruna

De knobbelmeerkoet is de enige meerkoet van zuidelijk Afrika: een gedrongen, leikleurige watervogel met een witte snavel en een wit voorhoofdsschild, bekroond door twee donkerrode knobbels. Op dammen en pannen van het Hoogveld en de Kaap kan hij in duizenden bijeen zijn.

Knobbelmeerkoet (Fulica cristata)
Foto: Ryan Hodnett — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een scherp, metalig kruk of krik en een doordringend, kort poek, vaak in een drukke kolonie door elkaar. Bij territoriumgeschillen hoorbaar gespetter en blazende geluiden terwijl vogels met gespreide vleugels op elkaar afstormen.

Luister: RoepXC1177065

Opname: African Bioacoustics Community — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 43 cm, geheel mat zwartgrijs met een iets zwartere kop en hals. Snavel en voorhoofdsschild zijn ivoorwit; boven op het schild zitten twee donkerrode knobbels die in de broedtijd opzwellen en daarbuiten klein en onopvallend kunnen zijn. Het oog is rood. De poten zijn grijsgroen met brede gelobde tenen. Geen witte vleugelachterrand in vlucht. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels zijn grijsbruin met een lichte keel en voorhals en een grijzige snavel zonder knobbels. Zwemt met knikkende kop en duikt vaak kort naar waterplanten; loopt voor het opvliegen spetterend over het water.

Verwarrings­soorten

In het gebied komt geen andere meerkoet voor. Het waterhoen (Gallinula chloropus) is kleiner en slanker, heeft een rode snavel met gele punt, een rood voorhoofdsschild, een witte flankstreep en witte onderstaartzijden. De purperkoet (Porphyrio porphyrio) is groter, paarsblauw met een rode snavel en rood schild en lange rode poten. Van dichtbij sluiten de knobbels en het ontbreken van een witte vleugelstreep verwarring met dwaalgasten van de meerkoet uit het noorden uit.

Leefgebied

Open zoetwater met onderwatervegetatie: dammen, meren, pannen, vleien, rioolzuiveringsvijvers en brakke lagunes. Eet vooral waterplanten, algen en zaden, aangevuld met ongewervelden; graast ook op gras langs de oever. Het nest is een drijvend of in riet verankerd platform van plantenmateriaal. Buiten de broedtijd in grote groepen op open water.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Algemeen in Zuid-Afrika, Lesotho en Eswatini, vooral op het Hoogveld, in de Vrijstaat en de West-Kaap; verder in Namibië, Botswana en Zimbabwe, schaarser en plaatselijker in Mozambique, Zambia, Malawi en het zuiden van Angola. Daarbuiten in Oost-Afrika tot Ethiopië, op Madagaskar en, zeldzaam, in Marokko en het zuiden van Spanje.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond op vrijwel elke grotere dam op het Hoogveld, in de Vrijstaat en de Kaap; de grootste concentraties in de droge winter op permanente wateren. Kijk in het voorjaar van dichtbij naar de gezwollen rode knobbels en naar de bekende territoriumgevechten, waarbij vogels met opgezette vleugels over het water op elkaar afstormen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en in zuidelijk Afrika talrijk; de aanleg van boerendammen en rioolzuiveringsvijvers heeft de soort sterk bevoordeeld. Aantallen schommelen met regenval en waterpeil. In Europa is de kleine populatie in Andalusië wel sterk bedreigd.

Wetenschappelijke naam

Fulica cristata | Gmelin, 1789

Gmelin beschreef de soort in 1789 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Fulica werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Fulica is het Latijnse woord voor 'meerkoet'. cristata is Latijn voor 'gekuifd', van crista 'kam', naar de twee rode knobbels boven het voorhoofdschild. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Madagaskar.