Alle soorten › Trapachtigen › Trappen › Koritrap

Koritrap | Ardeotis kori

Kori Bustard | Avutarda Kori

De koritrap is de zwaarste vliegende vogel van Afrika en loopt met afgemeten passen door open savanne en grasland. Baltsende mannetjes blazen de hals op tot een witte bal en laten een diep dreunend geluid horen dat kilometers ver draagt.

Koritrap (Ardeotis kori)
Foto: Sumeet Moghe — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Meestal zwijgzaam. Het baltsende mannetje laat een diep, dreunend oem-oem-oem horen dat tot een kilometer ver draagt, vooral in het eerste en laatste uur van de dag. Bij alarm een grommende blaf; opvliegende vogels roepen zelden.

Luister: RoepXC209987

Opname: Andrew Spencer — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Zeer groot en sterk verschillend tussen de geslachten: mannetjes zijn 105 tot 135 cm lang met een spanwijdte tot 275 cm en wegen 7 tot 19 kg, vrouwtjes zijn 90 tot 112 cm lang met een spanwijdte tot ongeveer 220 cm en wegen 3 tot 7 kg. Bovendelen grijsbruin en fijn gevlamd, met een zwarte kuif op het achterhoofd, een witte wenkbrauwstreep en een fijn zwart-wit gebandeerde hals die op afstand egaal grijs oogt. De buik is wit en de vleugeldekveren zijn zwart-wit getekend. De poten zijn lang en bleek met drie tenen. De vlucht is zwaar maar krachtig, met trage diepe slagen, de hals gestrekt en de poten achteruit.

Verwarrings­soorten

De Ludwigs trap (Neotis ludwigii) van het aride westen en de Denhams trap (Neotis denhami) van het oostelijke grasland zijn beduidend kleiner, hebben roestbruin op de achterhals en missen zowel de zwarte kuif als de fijn gebandeerde grijze hals. Binnen zuidelijk Afrika komt geen andere trap ook maar in de buurt van het formaat van de koritrap.

Leefgebied

Open en licht beboste savanne, grasland, halfwoestijn en Kalaharizandveld, bij voorkeur met kort gras en goed uitzicht. Alleseter: sprinkhanen en andere insecten, reptielen, kleine zoogdieren, zaden, bessen en de gom van acaciabomen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In zuidelijk Afrika wijdverbreid in het droge binnenland: de Kalahari in Botswana en Namibië, Etosha, de Noord-Kaap en de Vrijstaat, het laagveld van Limpopo en Mpumalanga, grote delen van Zimbabwe en de randen van Zambia en zuidelijk Mozambique. Uit het akkerbouwgebied in het zuiden is de soort grotendeels verdwenen. Verder komt een tweede ondersoort voor in Oost-Afrika, van Ethiopië tot Tanzania.

  • Jaarrond
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Rijd in de vroege ochtend langzaam over open graslandvlakten; door hun formaat zijn de vogels op honderden meters al te zien, lopend met een afgemeten pas. De baltsperiode valt van september tot januari, na de eerste regens in de Kalahari, wanneer mannetjes met opgeblazen hals en over de rug geklapte staart staan te dreunen. Let ook op karmijnrode bijeneters die op de rug van foeragerende trappen meeliften.

Staat van instandhouding

Gevoelig. De aantallen nemen af door botsingen met hoogspanningsleidingen en hekken, wat in zuidelijk Afrika een van de belangrijkste doodsoorzaken is, en verder door jacht, verstoring, vergiftiging en de omzetting van grasland in akkerland. Buiten de grote beschermde gebieden zoals de Centrale Kalahari, Etosha en Kruger zijn de dichtheden laag.

Wetenschappelijke naam

Ardeotis kori | (Burchell, 1822)

Burchell beschreef de soort in 1822 als Otis Kori; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ardeotis werd in 1853 ingevoerd door Le Maout. Ardeotis combineert het Latijnse ardea, 'reiger', met het Griekse otis, 'trap' — een naam die de fors gebouwde, reigerachtige lengte van de grootste trappen benadrukt. kori is overgenomen van kgori, de Tswana-naam voor deze trap, zoals genoteerd door de Engelse natuuronderzoeker William John Burchell, die de soort in 1822 als eerste beschreef. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de samenvloeiing van de Vaal- en Oranjerivier.