Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Savannearend
Savannearend | Aquila rapax
Tawny Eagle | Águila Rapaz
De savannearend is de karakteristieke grote bruine arend van de Afrikaanse savanne: een veelzijdige jager, aaseter en rover die prooi afpakt van andere roofvogels. Het verenkleed varieert van bijna roomwit tot donker roodbruin, wat hem tot een van de lastigere arenden van het gebied maakt.
Geluid
Vrij zwijgzaam. Bij het nest en in de balts een blaffend, herhaald kiow-kiow of kau-kau-kau, soms in duet.
Opname: Oliver Fowler — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
65–75 cm, spanwijdte 159–183 cm. Een stevige arend met ruig bevederde ‘broek’, een gele washuid en een mondspleet die tot onder het midden van het oog reikt; de neusopening is ovaal. Het verenkleed loopt van lichtgeelbruin via roodbruin tot donkerbruin, vaak gevlekt en rommelig; de iris is bij volwassen vogels lichtbruin tot geelachtig. De slagpennen en staart zijn donker met een vage bandering. Jonge vogels zijn vaak egaal roestbruin of rossig en verbleken tot bleek zandkleurig, met smalle lichte vleugelstrepen. In de vlucht zijn de vleugels vrij lang met een wat bolle achterrand, de staart is afgerond en middellang; de binnenste handpennen vormen vaak een lichte ‘venster’ op de bovenvleugel. De geslachten lijken op elkaar; het vrouwtje is groter.
Verwarringssoorten
De steppearend Aquila nipalensis is groter en egaler donker, met een mondspleet tot achter het oog; jongen hebben een brede witte vleugelband. De schreeuwarend Clanga pomarina is kleiner, egaler bruin, met ronde neus en smalle ‘kousen’. Lichte Wahlbergs arenden Hieraaetus wahlbergi zijn kleiner, met een lange rechte staart en een kuifje. De bruine slangenarend Circaetus cinereus heeft onbevederde poten, een grote ronde kop en gele ogen.
Leefgebied
Droge en halfdroge savanne, doornveld, Kalahari-doornveld en mopaneveld; mijdt dicht bos, fynbos en hooggebergte. Jaagt op wild zoals parelhoenders, frankolijnen, hazen en knaagdieren, eet veel aas en achtervolgt andere roofvogels en ooievaars om hun buit af te pakken. Het nest is een platform van takken boven in een doornboom.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Vooral in het noorden en westen van het gebied: Namibië, Botswana, Zimbabwe, Zambia, het zuiden en oosten van Angola, Malawi en Mozambique; in Zuid-Afrika nu grotendeels beperkt tot de grote beschermde gebieden in het noorden, zoals het Krugerpark en de Kgalagadi, en schaars daarbuiten. Afwezig in Lesotho; zeldzaam in Eswatini. Verder over grote delen van Afrika ten zuiden van de Sahara en in Noord-Afrika, en daarbuiten in India en omringende landen.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In het Krugerpark en de Kgalagadi zitten savannearenden vaak op dode bomen langs de wegen en bij aas, tussen gieren. Let op de ruige broek, de mondspleet tot het midden van het oog en de gele washuid; negeer de kleur van het verenkleed, die niets zegt. Bij karkassen jagen de arenden vaak jakhalzen en gieren weg of zitten ze geduldig te wachten.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar op de Rode Lijst, na sterke afnames in grote delen van Afrika. In zuidelijk Afrika is de soort buiten beschermde gebieden sterk achteruitgegaan door vergiftigd aas, elektrocutie en verdrinking in waterreservoirs op boerderijen. Afhankelijkheid van aas maakt de arend zeer kwetsbaar voor de vergiftiging die ook de gieren treft.
Wetenschappelijke naam
Aquila rapax | (Temminck, 1828)
Temminck beschreef de soort in 1828 als Falco rapax; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Aquila werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Aquila is Latijn voor 'arend', mogelijk van aquilus 'donker van kleur'. rapax is Latijn voor 'grijpgraag, roofzuchtig' — naar de gewoonte ook prooi van andere roofvogels af te pakken. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zuid-Afrika.


