Alle soorten › Valkachtigen › Valken › Slechtvalk

Slechtvalk | Falco peregrinus

Peregrine Falcon | Halcón Peregrino

De slechtvalk is de krachtigste valk van het gebied, een compacte, breedborstige jager die vogels in een steile duikvlucht uit de lucht slaat. In zuidelijk Afrika broedt de kleine, donkere ondersoort minor op kliffen en hoge gebouwen; in de zuidelijke zomer komt daar de grotere, bleke palearctische ondersoort calidus bij.

Slechtvalk (Falco peregrinus)
Foto: Mykola Swarnyk — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een rauw, herhaald kek-kek-kek-kek of rek-rek-rek bij het nest en bij verstoring, en een zeurend wiiitsjoe tussen de partners. Buiten de broedtijd grotendeels stil.

Luister: VluchtroepXC1153519

Opname: Frantz Barrault — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 34 tot 38 cm bij de inheemse vogels, de vrouwtjes duidelijk groter dan de mannetjes; calidus is groter. Volwassen vogels zijn leigrijs op de bovendelen met een zwartachtige kop en een brede, scherp afgetekende zwarte baardstreep die als een kap met de kruin samenvloeit. De keel en de bovenborst zijn wit tot roomkleurig, de rest van de onderdelen fijn zwart gebandeerd. De washuid, oogring en poten zijn geel. De vleugels zijn breed aan de basis en spits, de staart betrekkelijk kort. Jonge vogels zijn donkerbruin op de bovendelen en zwaar gestreept op de onderdelen. Calidus is bleker grijs, met een smallere baardstreep, meer wit op de wangen en lichtere onderdelen.

Verwarrings­soorten

De lannervalk (Falco biarmicus) is slanker, met langere staart en bredere, stompere vleugels, een roodbruine kruin, een smalle baardstreep en ongetekende roze-crème onderdelen; hij vliegt losser. De Taitavalk (Falco fasciinucha) is veel kleiner, met roodbruine onderdelen en roodbruine nekvlekken. De Afrikaanse boomvalk is kleiner en slanker, met roodbruine onderdelen. Jonge slechtvalken lijken op jonge lannervalken, maar hebben een donkere, niet roodbruine kruin, een bredere baardstreep en een compacter silhouet.

Leefgebied

Broedt op richels van hoge kliffen in bergen, rivierkloven en zeekliffen, en steeds vaker op hoge gebouwen, kerktorens en industrieterreinen in steden. Jaagt vanuit hoge vlucht of vanaf een uitkijkpost op middelgrote vogels zoals duiven, eenden, steltlopers en spreeuwen, die in een duikvlucht met ingetrokken vleugels worden geslagen. De palearctische vogels trekken 's zomers naar kusten, grote wetlands en steden, waar steltlopers en duiven talrijk zijn.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Schaars maar over vrijwel het hele gebied verspreid, gebonden aan kliffen en gebouwen: van de Kaapse bergen en de kust via de Drakensberg, het Magaliesberggebergte en de kloven van Limpopo tot Zimbabwe, Zambia, Malawi, Mozambique en Namibië; in het vlakke binnenland van Botswana en de Kalahari grotendeels afwezig als broedvogel. Kaapstad, Johannesburg en andere steden hebben broedparen op gebouwen. Wereldwijd verspreid op alle continenten behalve Antarctica.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Controleer hoge kliffen in kloven en de bovenste richels van torens en schoorstenen in steden; een broedpaar keert vaak jaar na jaar naar dezelfde richel terug. In de zuidelijke zomer zijn kustlagunes en grote wetlands met veel steltlopers goede plekken voor de trekvogels. Broedt vooral van juli tot oktober, vroeger dan de meeste andere roofvogels.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd op de wereldlijst. De soort nam in de twintigste eeuw wereldwijd sterk af door DDT en andere bestrijdingsmiddelen en herstelde na het verbod daarop. In zuidelijk Afrika is de inheemse populatie klein maar stabiel; verstoring bij broedkliffen, vergiftiging via prooien en het wegnemen van jongen voor de valkerij vormen plaatselijk een bedreiging. De vestiging in steden heeft de soort geholpen.

Wetenschappelijke naam

Falco peregrinus | Tunstall, 1771

Tunstall beschreef de soort in 1771 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Falco werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Falco is het Latijnse woord voor 'valk', mogelijk verwant aan falx, 'sikkel', naar de gebogen vorm van klauwen of vleugels. peregrinus is Latijn voor 'vreemdeling, van elders'; jonge vogels werden voor de valkerij op trek gevangen en niet uit het nest gehaald. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Northamptonshire in Engeland.