Alle soorten › Roofvogels › Visarenden › Visarend

Visarend | Pandion haliaetus

Osprey | Águila Pescadora

De visarend is een slanke, langvleugelige roofvogel die uitsluitend van vis leeft en zich met de poten vooruit in het water stort. In Zuidelijk Afrika is hij vooral een schaarse trekvogel uit Europa en Azië, die de zomer doorbrengt bij grote meren, stuwmeren en estuaria.

Visarend (Pandion haliaetus)
Foto: El Golli Mohamed — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In het overwinteringsgebied meestal stil. Soms een reeks korte, fluitende tonen, tjiep-tjiep-tjiep, helder en klagend, vooral bij onderlinge ruzie of wanneer een zeearend de buit probeert af te pakken.

Luister: RoepXC1013326

Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

55–63 cm, spanwijdte 145–170 cm. Van boven donkerbruin, van onderen helderwit met een smalle bruine borstband die bij het vrouwtje meestal sterker is. De kop is wit met een donkerbruine oogstreep die doorloopt naar de nek; op de kruin een korte, ruige kuif. Ogen geel, snavel zwart met blauwgrijze washuid, poten blauwgrijs met ruwe zolen en een omkeerbare buitenteen. In de vlucht lange, smalle vleugels met een duidelijke knik in de pols, waardoor het silhouet op dat van een grote meeuw lijkt; de ondervleugel is wit met een zwarte polsvlek en gebandeerde slagpennen. Jonge vogels hebben lichte randen aan de bovenveren, wat een geschubd patroon geeft, en oranje ogen.

Verwarrings­soorten

De jonge Afrikaanse zeearend Icthyophaga vocifer is veel zwaarder en breedvleugeliger, met een korte staart en een rommelig bruinwit kleed zonder zuivere witte onderzijde. De dwergarend Hieraaetus pennatus in lichte vorm heeft witte ondervleugeldekveren maar donkere slagpennen en geen oogstreep. De zwartborstslangenarend Circaetus pectoralis heeft een donkere kop en borst en grote gele ogen. Het meeuwachtige silhouet met geknikte vleugels en de zwarte polsvlekken sluiten verwarring uit.

Leefgebied

Stuwmeren, grote meren, trage rivieren, lagunes, estuaria en beschutte kustwateren met helder water. Zoekt vis vanuit de lucht, bidt kort en duikt met de poten naar voren, soms tot bijna geheel onder water. Rust op dode bomen, palen en masten langs het water.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Dun verspreid over het hele gebied, vooral in het oosten: de kust en lagunes van Mozambique, het Malawimeer, Kariba en de Zambezi, de Okavango, stuwmeren in Zimbabwe, Zambia en het noorden en oosten van Zuid-Afrika, en de estuaria van KwaZoeloe-Natal en de zuidkust. Schaarser in het droge westen, maar ook langs de Namibische kust en in Angola. Buiten het gebied vrijwel wereldwijd; de vogels in Zuidelijk Afrika broeden in Scandinavië, Finland en Rusland. Er zijn geen bewezen broedgevallen in het gebied.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek in de zomermaanden bij een groot stuwmeer of estuarium naar een vogel op een dode boom of paal aan de waterkant; ringvondsten tonen dat individuele vogels jaar na jaar naar hetzelfde water terugkeren. Een jagende visarend bidt hoog boven het water en valt dan met de vleugels half gesloten. Houd rekening met Afrikaanse zeearenden, die de vangst vaak proberen af te pakken.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; de wereldpopulatie is na het verbod op DDT en andere organochloriden sterk hersteld. Op de trekroute en in het winterkwartier zijn aanvaringen met hoogspanningslijnen, verstrikking in visnetten en afschot de belangrijkste bekende doodsoorzaken.

Wetenschappelijke naam

Pandion haliaetus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Falco Haliaetus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pandion werd in 1809 ingevoerd door De Savigny. Pandion is ontleend aan Pandion, de mythische koning van Athene en grootvader van Theseus. haliaetus gaat via het Latijn terug op het Griekse haliaetos 'zeearend', van hals 'zee' en aetos 'arend'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.