Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Dwergrallen › Witvleugelral

Witvleugelral | Sarothrura ayresi

White-Winged Flufftail | Polluela Especulada

De witvleugelral is een van de zeldzaamste en meest raadselachtige vogels van Afrika: een klein ralletje van hooggelegen, seizoensgebonden moerasgraslanden, bekend van een handvol plekken in Zuid-Afrika en Ethiopië. Als enige ral in het gebied toont hij in vlucht een helderwitte vlek op de vleugel.

Van deze soort bestaat geen foto van een levende wilde vogel met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Geluid

In het broedgebied een reeks lage, zachte en holle tonen, woop-woop-woop, vooral bij schemer en 's nachts. In Zuid-Afrika wordt de soort zelden gehoord; roepende vogels zijn vooral bekend uit Ethiopië.

Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.

Herkenning

Ongeveer 14 cm, het kleinste ralletje van het gebied. Het mannetje heeft een kastanjebruine kop, hals en borst, een zwarte rug met fijne witte strepen en zwart-wit gebandeerde flanken; de korte staart is kastanje met zwarte bandering. Het vrouwtje is bruiner, met lichte schubjes boven en fijne bandering onder, maar heeft dezelfde vleugeltekening. In vlucht vallen bij beide seksen de witte armpennen op, die een vierkant wit vlak vormen. De keel is bij het mannetje wittig. Vliegt kort, laag en fladderend op en valt snel weer in de vegetatie.

Verwarrings­soorten

De roodborstral (Sarothrura rufa) en de strepenral (Sarothrura affinis) zijn iets groter en hebben geen wit in de vleugel; de roodborstral heeft een zwarte staart, de strepenral een roestrode. Het vrouwtje van de roodborstral is donkerder en dichter gebandeerd. In vlucht is een witte vleugelvlek bij een ral van deze grootte doorslaggevend.

Leefgebied

Hooggelegen vleien en moerasgraslanden met dichte, ongeveer kniehoge zegges, biezen en grassen in ondiep, stilstaand water, vaak alleen in het natte seizoen overstroomd. Leeft van kleine ongewervelden en zaden. De Zuid-Afrikaanse terreinen liggen op 1300–2000 m hoogte.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied vrijwel alleen bekend van een paar hooggelegen vleien in Mpumalanga en het noordwesten van KwaZoeloe-Natal, zoals Middelpunt en Wakkerstroom, met oudere of losse waarnemingen in de Vrijstaat, de Oost-Kaap en Zimbabwe; een vroeg exemplaar komt uit Zambia. Buiten het gebied broedt een kleine populatie op de hoogvlakte van Ethiopië. Of Zuid-Afrikaanse vogels trekken of het hele jaar blijven, is nog onzeker.

Hoe en wanneer kijken

Zoeken naar deze soort is alleen verstandig onder begeleiding van lokale gidsen en natuurbeheerders; betreding van broedvleien is schadelijk. Georganiseerde loopacties met sleepkoorden bij Wakkerstroom en Middelpunt leveren af en toe een vliegende vogel op, en camera-vallen hebben de soort daar bevestigd. Een snel opvliegend ralletje met witte vleugelvlakken is de enige herkenning in het veld.

Staat van instandhouding

Ernstig bedreigd. De wereldpopulatie wordt op enkele honderden volwassen vogels geschat en neemt af door het droogleggen, overbeweiden, branden en afgraven van hooggelegen vleien, in Ethiopië vooral door het maaien en begrazen van de broedterreinen. In Zuid-Afrika lopen beschermingsprojecten rond de belangrijkste vleien.

Wetenschappelijke naam

Sarothrura ayresi | (Gurney, 1877)

Gurney beschreef de soort in 1877 als Coturnicops ayresi; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Sarothrura werd in 1890 ingevoerd door Heine. Sarothrura komt van het Griekse sarōtron, 'bezem', en oura, 'staart' — naar het korte, borstelige staartje van deze ralletjes. ayresi eert Thomas Ayres (1828–1913), een Engelse vogelverzamelaar in Natal en Transvaal, die het eerste exemplaar bij Potchefstroom vond. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Potchefstroom, Zuid-Afrika.