Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Dwergrallen › Strepenral

Strepenral | Sarothrura affinis

Striped Flufftail | Polluela Estriada

De strepenral is een piepklein, muisachtig ralletje van droog, hoog grasland op berghellingen, niet van moerassen zoals de meeste andere rallen. Hij is vrijwel onzichtbaar in het dichte gras en wordt bijna uitsluitend aan zijn hoge, uilachtige roepreeks herkend.

Strepenral (Sarothrura affinis)
Foto: Justin Ponder — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een reeks lage, holle, uilachtige tonen, hoo-hoo-hoo-hoo, met ongeveer twee tonen per seconde en soms minutenlang volgehouden, vooral bij schemer en in bewolkt weer. Verder een scherp, kort tik als alarm.

Luister: ZangXC690394

Opname: Murray Christian — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 15 cm, gedrongen, met een korte snavel en een kort, donzig staartje. Het mannetje heeft een kastanjebruine kop, hals en borst; de rest van het lichaam is zwart met smalle, lange, lichte strepen, zowel op de rug als op buik en flanken. De staart is roestrood, bij geen andere ral in het gebied zo duidelijk. Het vrouwtje is bruin met fijne zwarte en lichte schubtekening boven, bleker en zacht gebandeerd onder, en heeft eveneens een roestkleurige staart. Jonge vogels zijn egaal donker. Vliegt zelden op, en dan kort en laag met bungelende poten.

Verwarrings­soorten

De roodborstral (Sarothrura rufa) heeft een zwarte, fijn gestreepte staart en een kastanjebruine kleur die tot ver op de buik doorloopt; hij leeft in natte vleien, niet op droge hellingen. De bruinvlekral (Sarothrura elegans) is gevlekt in plaats van gestreept en woont in bos. De witvleugelral (Sarothrura ayresi) heeft witte armpennen en een gebandeerde staart. Vrouwtjes zijn onderling lastig; let dan op de roestrode staart en het droge leefgebied.

Leefgebied

Dicht, hoog grasland op berghellingen en plateaus, vaak op enige afstand van water, en in het zuidwesten ook in fynbos met veel gras en biezen, vooral enkele jaren na een brand. Zoekt kruipend tussen de graspollen naar insecten, spinnen en zaden. Het nest is een koepel van gras op de grond.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Verspreid en plaatselijk in de bergstreken van Zuid-Afrika: de fynbosgebergten van de West- en Oost-Kaap, de Drakensberg en de hooglanden van KwaZoeloe-Natal en Mpumalanga, verder in Lesotho en Eswatini, de Oostelijke Hooglanden van Zimbabwe en aangrenzend Mozambique, en het Nyika-plateau in Malawi en Zambia. Buiten het gebied in geïsoleerde berggebieden in Oost-Afrika, van Tanzania tot Kenia en Zuid-Soedan.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Luister in de zomer bij schemer of vlak na regen op grazige berghellingen naar de holle roepreeks; de vogel roept vaak vanuit een vaste plek. Zien lukt eigenlijk alleen met veel geduld aan de rand van een pad of een pas afgebrand stuk grasland. Gebruik geen geluidsopnamen in broedgebied.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, maar schaars en verbrokkeld verspreid. De soort is gevoelig voor overbeweiding, te frequent branden, bebossing met exoten en de uitbreiding van plantages in het berggrasland. Door het verborgen leven zijn aantallen en trends slecht bekend.

Wetenschappelijke naam

Sarothrura affinis | (Smith, 1828)

Smith beschreef de soort in 1828 als Crex affinis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Sarothrura werd in 1890 ingevoerd door Heine. Sarothrura komt van het Griekse sarōtron, 'bezem', en oura, 'staart' — naar het korte, borstelige staartje van deze ralletjes. affinis is Latijn voor 'verwant' — naar de gelijkenis met andere kleine rallen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Niet vermeld.