Alle soorten › Roofdieren › Hondachtigen › Vos
Vos | Vulpes vulpes
Red fox | Zorro
De vos heeft van alle landroofdieren het grootste natuurlijke verspreidingsgebied en komt in Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten voor van de toendra tot in stadscentra. Prent, loopspoor en keutel zijn in zand, sneeuw en modder van die van de hond te onderscheiden.
Sporen
De prent van de voorvoet is ongeveer 4 tot 5 cm lang en 3,5 tot 4 cm breed, de achtervoet is iets kleiner en smaller. Vier tenen met scherpe, puntige klauwafdrukken. Een lat langs de voorranden van de twee buitenste tenen raakt bij de vos de middelste tenen niet, bij een hond wel; de hondenprent is bovendien ronder en breder, met waaiervormig geplaatste tenen en stompe klauwen. In het loopspoor schnürt de vos: de achtervoet komt in de prent van de voorvoet, de prenten liggen vrijwel in één rechte lijn en de pas meet 30 tot 40 cm. Een hond loopt in twee sporen en minder regelmatig. De keutel is 5 tot 10 cm lang en anderhalve tot twee centimeter dik, gedraaid, en loopt aan één kant uit in een dunne punt van samengeklitte haren; die punt is het kenmerk. De kleur volgt het voedsel: zwart en glimmend bij vlees en botsplinters, grijs en haarrijk bij muizen, blauwzwart bij loopkevers, en in de nazomer paars tot wijnrood bij bramen, kersen of cornoelje, met de pitten zichtbaar. De keutel ligt meestal op een verhoging — molshoop, steen, graspol, boomstronk, paaltje — of midden op een pad, en is een geurmerk. Bij het hol en langs de wissels hangt een scherpe, zoetig-muskusachtige geur, bij windstil weer op enige afstand waarneembaar. Het hol heeft pijpen van 20 tot 25 cm doorsnee, hoger dan breed, vaak in een helling of overgenomen van een das; voor de ingang liggen prooiresten en veren, en in mei is het gras er plat getreden door de jongen. Een dassenburcht is in vergelijking schoon, met verse zandwaaiers en een aparte latrine. Een door de vos gegeten vogel is te herkennen aan doorgebeten veerschachten met tandindrukken; een havik trekt de veren gaaf uit.



In zijn leefgebied

De kop van dichtbij

Een kleurslag
.jpg)
Het jong

Herkenning
Slank, laag op de poten en met een staart die bijna twee derde van de kop-romplengte haalt. Roodbruin tot roestgeel, witte keel, borst en buik, zwarte achterkant van de oren en zwarte 'kousen' aan de voorzijde van de poten; de pluimstaart eindigt meestal, maar niet altijd, in een witte punt. Kop met spitse snuit, witte lippen en verticaal spleetvormige pupillen — de enige Europese hondachtige met een verticale pupil. De wintervacht is voller en oogt zwaarder; in juni en juli is een verharende vos mager en nauwelijks rood. In het noorden komen donkere kleurvormen voor (kruisvos, zilvervos); in Iberië, de Maghreb en de Levant is de soort kleiner, bleker en grootoriger. De gang is vloeiend, met vlakke rug en horizontaal gedragen staart.
Gelijkende soorten
Verwarring ontstaat vooral in het donker en op afstand. Marterhond is korter en gedrongen, donker gemaskerd, met korte poten, kleine ronde oren en een korte staart zónder witte punt. Goudjakhals, oprukkend van de Balkan naar Midden-Europa, is grijsgeel in plaats van rood, hoger op de poten, met een kortere staart die donker eindigt en een rechter silhouet; het gehuil is kenmerkend. Poolvos overlapt in het Scandinavische hoogland: kortere snuit, kleine ronde oren, dicht behaarde poten en geen witte staartpunt. Kleine roodbruine honden geven de meeste verwarring; beslissend zijn de zwarte oorranden, de spleetpupil en de zware, laag gedragen pluimstaart. In Noord-Afrika en het Midden-Oosten komt de vos naast Rüppells vos voor, die zandkleurig is, kleiner, met grotere oren en eveneens een witte staartpunt; daar beslissen formaat, snuitlengte en biotoop.
Leefgebied
De vos bewoont vrijwel elk landschap met dekking om de dag door te brengen: loof- en gemengd bos met kruidenrijke randen, houtwallen en heggen in akkerland, ruige dijken en spoortaluds, duinen, heide, maquis, boomgaarden en volkstuinen. In het noorden reikt het leefgebied tot in de berkentoendra, in de Alpen tot boven de boomgrens en in het zuiden tot in de garrigue. De hoogste dichtheden liggen niet in gesloten bos maar in kleinschalig landschap met veel randen en een hoge muizenstand. De soort is sinds de jaren dertig een vaste bewoner van Britse voorsteden en sinds de jaren negentig ook van steden op het vasteland, met ligplaatsen onder schuren en in spoorbermen.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
De vos komt voor van Noord-Afrika tot de Noordkaap en van Ierland tot voorbij de Oeral; dat is het grootste natuurlijke verspreidingsgebied van alle landroofdieren. In Europa ontbreekt de soort op IJsland, Malta en een reeks kleinere eilanden; op Sicilië, Sardinië, Corsica en Cyprus is zij aanwezig. In Nederland en België was de soort tot in de jaren zeventig schaars op de kleigronden en in het noordoosten van Nederland; sindsdien komt zij er overal voor, ook in de polders, in de stedelijke gebieden en op enkele Waddeneilanden. In Groot-Brittannië en Ierland is zij algemeen, met stedelijke populaties in onder meer Londen en Bristol.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
De vos is overwegend nachtactief en het actiefst in de eerste uren na zonsondergang; in rustige gebieden en in de stad ook overdag actief. Hij is een alleseter met een sterke voorkeur voor woelmuizen, die op het gehoor worden opgespoord en met een sprong van boven af worden vastgepind; verder konijnen, jonge hazen, vogels, eieren, regenwormen bij nat weer, kevers, aas, fruit en, in de stad, afval. Overschot wordt begraven, één prooi per kuiltje. Het territorium meet op het platteland een halve tot enkele vierkante kilometers en in de stad tot minder dan een tiende daarvan; de bewoners zijn meestal een paar, soms een familiegroep waarin een niet-voortplantende zus meehelpt. De ranstijd valt in december en januari, met 's nachts het schorre blaffen van de rekel en de langgerekte gil van de moer. Na ongeveer 52 dagen worden in maart of april vier tot zes jongen geboren, blind, donkergrijs en met een stompe snuit; ze komen na ongeveer vier weken boven de grond, worden in de zomer zelfstandig en trekken in de herfst weg — jonge rekels tientallen kilometers. De soort houdt geen winterrust en is het hele jaar actief; in het wild is de levensduur zelden meer dan drie tot vier jaar.
Waar en wanneer kijken
Het eerste uur na zonsondergang is het meest geschikt, langs een bosrand, een dijk of een akkerrand, waar de vos met de kop laag heen en weer loopt op zoek naar muizen. In de sneeuw leidt het loopspoor naar het dier: de rechte lijn van schnürende prenten is terug te volgen tot de wissel. In de stad is een park of een spoorberm na middernacht kansrijk; stadsvossen laten mensen dicht naderen. In mei is een hol met jongen te zien, maar daarvoor zijn honderd meter afstand en een telescoop nodig: een verstoorde moer verplaatst haar worp. In januari is de soort te horen; het blaffen en de gil in een winternacht zijn kenmerkend.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2021). In grote delen van Europa is de bevolking sinds de jaren tachtig gegroeid, vooral doordat rabiës met het uitleggen van vaccinvoer is uitgeroeid en de sterfte daardoor wegviel; sindsdien heeft de soort ook de steden bezet. De vos wordt overal bejaagd, meestal zonder aantoonbaar effect op de aantallen. Schurft veroorzaakt plaatselijk sterke inzinkingen; in stedelijk gebied is het verkeer de voornaamste doodsoorzaak. Waar de soort in conflict komt met andere belangen — weidevogelbeheer, pluimvee, en op de eilanden broedende sterns en meeuwen — gaat de discussie niet over haar voortbestaan maar over de aantallen die in een cultuurlandschap worden aanvaard.
Wetenschappelijke naam
Vulpes vulpes | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Canis Vulpes; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Vulpes is het Latijnse woord voor 'vos'. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.






