Alle soorten › Zangvogels › Boszangers › Bergfluiter
Bergfluiter | Phylloscopus bonelli
Western Bonelli's warbler | Mosquitero papialbo
De bergfluiter is de boszanger van de droge bergbossen rond de westelijke Middellandse Zee: bleek, koel van kleur en met een zuiver witte keel. Zwijgend hoort hij bij de lastigste vogels van dit boek, maar zijn droge ratel verraadt hem al van vijftig meter. In Spanje is hij een van de talrijkste bosvogels van het land; in Nederland een gewaardeerde dwaalgast van een handvol gevallen per jaar.
Geluid
De zang duurt nauwelijks een seconde en klinkt volstrekt kleurloos: een droge, vlakke ratel op één toonhoogte, srrrrrrrrr, van dichtbij hoorbaar als een reeks losse tikjes, tsi-tsi-tsi-tsi-tsi-tsi-tsi. Alle tonen liggen even hoog, het tempo verandert niet, en de strofe houdt net zo abrupt op als hij begint; na vijf tot tien seconden komt de volgende. Wie de fluiter kent hoort het onderscheid meteen: de fluiter versnelt van losse tikken naar een zinderende triller en sterft weg, de bergfluiter ratelt van de eerste toon af in hetzelfde tempo door en eindigt zonder slot. Het geluid draagt ver door open dennen- en eikenbos en is het dichtst tussen zonsopgang en een uur of tien, van eind april tot eind juni. De roep is het tweede kenmerk en minstens zo belangrijk: een zacht, tweelettergrepig en stijgend hoe-iet, warm en week — precies zoals een fitis roept. In Zuid-Europa levert dat geen misverstand op, want daar is de fitis alleen doortrekker; in Noordwest-Europa is het juist de klassieke manier waarop een dwaalgast over het hoofd wordt gezien.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Een bleke, contrastarme boszanger die grijzer en witter oogt dan alle andere. De bovendelen zijn grijsgroen tot grijsbruin, de onderdelen zijdewit, zonder een spoor van geel op keel, borst of flank. Drie dingen kleuren wél, en die drie maken de soort: een heldergele stuit, een geelgroen paneel op de gevouwen vleugel dat gevormd wordt door de gele randen van hand- en armpennen, en een geelgroene zoom langs de staartveren. De kop oogt opvallend open en uitdrukkingsloos — een korte, vage witte wenkbrauwstreep, een groot donker oog in een blank gezicht, geen echte oogstreep. De ondersnavel is oranje tot vleeskleurig, de poten grijsbruin. De handpenprojectie is lang, ongeveer drie kwart van de tertiallengte. Geslachten gelijk; juveniele vogels zijn iets warmer bruin en hebben een vagere gele stuit.
Verwarringssoorten
De fluiter is groter en veel bonter: felgele keel en borst tegen een sneeuwwitte buik, terwijl de bergfluiter tot aan de kin toe wit is. De tjiftjaf is bruiner en donkerder van poot, mist de gele stuit en het vleugelpaneel en tikt voortdurend met de staart naar beneden; de fitis is geler doorwaasd en heeft lichte poten. Het echte probleem is de balkanbergfluiter — zie ook zijn eigen soortpagina, waar hetzelfde verschil van de andere kant is beschreven. Die is nog een tikje grauwer en witter, met minder groen in vleugel en stuit en een iets langere, zwaardere snavel, maar in het veld overlappen die verschillen volledig en beslissen ze niets. De stem beslist wél: bergfluiter roept een zacht, tweelettergrepig hoe-iet, balkanbergfluiter een hard, eenlettergrepig tsjip. En let op de valkuil: dat hoe-iet lijkt sprekend op de roep van de fitis.
Leefgebied
Open, droog en hooggelegen bos op zonnige hellingen: bossen van Pyreneese eik en donzige eik die hun blad bruin laten hangen, gemengd eiken-dennenbos, oud dennenbos met een schrale, lage onderbegroeiing, kastanjebos en warme steeneikenhellingen. Kenmerkend is de combinatie van ijl staande, hoge bomen en een dunne struiklaag; dicht, vochtig en gesloten bos wordt gemeden. In Spanje ligt het zwaartepunt tussen 500 en 2000 meter, in de Alpen en de Pyreneeën tot tegen de boomgrens, in de Maghreb in de ceder- en eikenbossen van de Atlas. Het nest is een overkoepeld bolletje op de grond, tegen een steilrandje of onder een graspol.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van het westelijke Middellandse Zeegebied: Iberië, Frankrijk tot ongeveer de lijn van de Seinemonding naar de Adriatische Zee, Italië en de Maghreb. Overwintert in de Sahel, van Senegal tot Tsjaad. Spanje is het kerngebied: de Spaanse broedpopulatie wordt geschat op 1,1 tot 2,7 miljoen paren, ruwweg twee derde van het Europese totaal, verspreid over vrijwel de hele noordelijke helft van het land en de bergen van Andalusië. In Nederland is het een vrijwel jaarlijkse dwaalgast met vierenzestig aanvaarde gevallen tot en met 2022, waarvan het merendeel zingende vogels in mei betreft; najaarsvogels verschijnen opvallend vroeg, in de tweede helft van augustus en in september.
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De tweede en derde week van mei, in een oud dennen- of eikenbos op een zonnige helling in de Spaanse sierra's, de Franse Cevennen of het Italiaanse voorgebergte, vanaf zonsopgang. Ga niet zoeken maar staan luisteren: de droge ratel draagt ver, terwijl de vogel zelf hoog en rusteloos in de kroon blijft. Volg de zang tot je hem in de zon krijgt en let dan op twee dingen tegelijk — de zuiver witte keel en de gele stuit, die pas oplicht als de vogel zich omdraait of wegvliegt. In Nederland loont het in mei om in duinbossen en dennenpercelen op de roep te letten: een fitisachtig hoe-iet dat urenlang uit dezelfde dennentop blijft komen is het nalopen waard.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd en over het grootste deel van het areaal stabiel. In Spanje zijn geen afnames vastgesteld en de soort heeft van de grootschalige aanplant van dennen eerder geprofiteerd. Op de noordrand van het areaal, in Frankrijk en Zwitserland, is de bergfluiter juist teruggelopen, waarschijnlijk doordat open hellingbos dichtgroeit nadat de begrazing is gestopt. Droogte in de Sahel is, zoals bij alle transsaharatrekkers, de grote onbekende.



