Alle soortenZangvogelsKraaiachtigen › Daurische kauw

Daurische kauw | Coloeus dauuricus

Daurian jackdaw | Grajilla dáurica

De daurische kauw is de Oost-Aziatische tegenhanger van onze kauw: even groot, even gezellig, even luidruchtig, maar bij volwassen vogels in een verbluffend zwart-wit pak. Hij broedt van Zuid-Siberië en Mongolië tot diep in China, en in West-Europa is hij een van de zeldzaamste gasten die er zijn — een handvol gevallen in anderhalve eeuw, waarvan twee in Nederland, in mei 1995 en mei 1997.

Daurische kauw (Coloeus dauuricus)
Foto: Нурхайдарова Татьяна — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Als die van een kauw, maar korter en scherper: een afgebeten, hoog tsjak, in reeksen en met veel variatie, en daarnaast een gerekter kjè en kie-ja. Een troep boven een dorp of een akker praat aanhoudend door elkaar. Voor een West-Europese waarnemer is het geluid geen bruikbaar determinatiekenmerk — de verschillen met de kauw zijn te klein en de kans op vergelijkingsmateriaal te groot.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

In bouw en formaat een kauw: compact, kortsnavelig, met snelle vleugelslagen en een rechte, kwieke loop. Het volwassen kleed is onmiskenbaar. Voorhoofd, kruin, teugels, kin en keel zijn glanzend zwart, evenals de mantel, de vleugels en de staart, maar hals, nek en de hele onderzijde van borst tot buik zijn romig wit, zodat om de zwarte kop een brede lichte kraag ligt. De grens tussen de zwarte borstlap en het witte lijf is scherp. Het zwart loopt vanaf de kruin door over de oorstreek, waardoor midden in dat wit een donkere oorvlek staat; achter en boven die vlek is de nek fijn zilverachtig gestreept. Het oog is donker, bijna zwart. Jonge vogels zien er heel anders uit: overwegend dof zwart met een grijzig waas en soms witte spikkels op de borst, en na de eerste rui grotendeels zwart, met later in de winter fijne zilveren streping op de kop.

Verwarrings­soorten

De kauw is de enige echte verwarringssoort, en bij een volwassen daurische kauw is er geen probleem: de kauw heeft een grijze nek als een capuchon om een zwarte kruin en verder een donker leigrijs lijf, terwijl de daurische kauw een romig witte hals, nek en onderzijde heeft met een scherp afgesneden zwarte borstlap. Het oog beslist waar het kleed dat niet doet: de kauw heeft een helder zilverwit tot lichtblauwgrijs oog, de daurische kauw een donker, bijna zwart oog. Lastig zijn de donkere jonge en eerstejaars daurische kauwen, die overwegend zwart zijn; let dan op het donkere oog, op de glanzend zwarte keel die tegen een iets lichtere bovenborst afsteekt, op de donkere nek zonder grijze capuchon, en later in de winter op de fijne zilveren streping op de kop. De zwarte kraai is fors groter en zwaarder, egaal zwart, met een dikke gebogen snavel en veel tragere vleugelslagen. Elke lichtbuikige kauwachtige verdient bovendien een tweede blik: partieel witte kauwen komen voor, maar die zijn onregelmatig gevlekt en missen de scherpe, symmetrische begrenzing van het echte kleed.

Leefgebied

Open landschap met oude bomen of rotswanden om in te broeden en ruime, kortbegroeide vlaktes om in te foerageren. Broedt in boomholtes, spleten in rotswanden en holtes in gebouwen, en zoekt voedsel op akkers, graslanden, steppen en rivierdalen, vaak in de buurt van dorpen en boerderijen en vaak samen met andere kraaiachtigen. Buiten de broedtijd in grote, luidruchtige troepen, die 's nachts gezamenlijk slapen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedt van het zuiden van Oost-Siberië door Mongolië tot in een groot deel van China en zuidoostelijk Tibet. Noordelijke vogels trekken weg en overwinteren zuidelijker in China; verder is de soort een schaarse wintergast in Korea, een zeldzame maar jaarlijkse in Japan en een dwaalgast op Taiwan. Naar het westen loopt het areaal niet door: in het gebied van deze gids is er geen broedbevolking, geen overwintering en geen doortrek, alleen een reeks losse gevallen — Finland in 1883, Zweden in 1985, Nederland in 1995 en 1997, Frankrijk in 1995 en Denemarken in 1997. Dat die gevallen vrijwel allemaal in het voorjaar liggen, is het sterkste argument dat het om echte dwaalgasten gaat: bij vogels die op ontsnapping teruggaan zouden de data gelijkmatig over het jaar verdeeld zijn. Ontsnapte vogels zijn bij deze soort niet uit te sluiten, en elk geval wordt daarom apart gewogen.

Waar en wanneer kijken

In Europa valt hier niets te plannen; wie de soort wil zien, gaat naar Oost-Azië, waar hij in de winter in gemengde kauwen- en roekentroepen op de akkers staat. Voor de thuisblijver is het nuttiger om de kauwentroepen te leren scannen: kijk in het najaar en het voorjaar elke grote groep even na op een vogel met een wit lijf of een opvallend donker oog. Dat kost weinig tijd, en het is precies zo dat de Nederlandse gevallen zijn gevonden.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (IUCN: Least Concern), met een stabiele wereldbevolking in een groot Oost-Aziatisch areaal. Voor Europa is de soort niet meer dan een uiterst zeldzame gast, en er is dan ook geen Europese beschermingsopgave. Wel is de bewijslast bij elk geval zwaar: de soort wordt in Azië gehouden en is af en toe in de vogelhandel te vinden, zodat de beoordelingscommissies bij elke waarneming afwegen of het om een vogel gaat die op eigen kracht kwam of om een vogel die teruggaat op ontsnapte vogels.