Alle soorten › Zangvogels › Klauwieren › Daurische klauwier
Daurische klauwier | Lanius isabellinus
Isabelline shrike | Alcaudón isabel
De daurische klauwier broedt in de steppen en halfwoestijnen van Mongolië en Noordwest-China en overwintert in Noordoost-Afrika en Arabië. Op die reis trekt hij in maart en april en opnieuw van september tot november in flinke aantallen door de Golfstaten en het westen van Iran — het enige deel van dit kaartgebied waar hij gewoon is. In West-Europa is hij een zeldzame najaarsgast. Het is de bleekste klauwier van het hele Palearctische gebied: zandkleurig van kop tot mantel, met een roestrode staart die daar scherp tegen afsteekt.
Geluid
Bij ons zwijgzaam. In het broedgebied is de territoriumroep een luid, scherp ksjè-ksjè, en bij opwinding een ratelende reeks. De zang is een zacht, tamelijk melodieus murmelen en babbelen, doorspekt met imitaties van andere vogels en meestal alleen van dichtbij te horen.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Een kleine, slanke klauwier ter grootte van een grauwe klauwier. Het hele bovenlijf is bleek zandkleurig tot zandgrijs, en kruin en mantel verschillen daarbij nauwelijks van elkaar — juist dat gebrek aan contrast is kenmerkend. Het zwarte masker is smal en aan de voorzijde zwak begrensd; erboven loopt een vage, vuilwitte wenkbrauwstreep die lang niet zo opvalt als bij de Turkestaanse klauwier. Stuit en staart zijn helder roestrood en lichten bij het opvliegen op tegen de bleke rug. Volwassen mannetjes hebben vaak een klein wit vlekje aan de basis van de handpennen. De onderzijde is vuilwit met een okerkleurige waas over borst en flanken; vrouwtjes en jonge vogels dragen daar een fijne, vage golfstreping die duidelijk zwakker is dan bij verwante soorten. De snavel is korter en fijner dan die van de bruine klauwier, en op de gesloten vleugel zijn meestal zes of zeven pentoppen te tellen.
Verwarringssoorten
De vergelijking begint bij de staart. Een grauwe klauwier heeft een zwart-witte staart en is boven kastanjebruin of, bij het vrouwtje, koel bruin; deze soort heeft een roestrode staart, en dat verschil is zelfs bij een wegvliegende vogel te zien. Moeilijker is de Turkestaanse klauwier, die tot in deze eeuw met deze soort als één soort werd behandeld en sinds 2018 ook op de Britse lijst apart staat. Die is warmer en contrastrijker: een roodbruine kruin die duidelijk afsteekt tegen een grijzere mantel, een breed zwart masker dat over de snavelbasis doorloopt en een scherpe, zuiver witte wenkbrauwstreep. De daurische klauwier is daarentegen egaal bleek zandkleurig, met een smaller masker en een zwakke wenkbrauw, en zijn kruin is eerder grijzig dan roodbruin. De bruine klauwier is warm bruin in plaats van zandkleurig, heeft een dof bruine in plaats van roestrode staart, een veel zwaardere snavel en een opvallend korte hand met maar zo'n vier zichtbare pentoppen. Wees hier eerlijk over de grenzen van het veldwerk: vrouwtjes en vooral eerstejaars vogels van deze soort en de Turkestaanse klauwier zijn vaak niet met zekerheid uit elkaar te houden, en veel gevallen worden dan ook aanvaard als daurische of Turkestaanse klauwier. Daar komt bij dat er in het westen van het areaal vogels van het type karelini rondlopen, grijzer van bovenzijde, waarvan de status onduidelijk is, en dat hybriden met de grauwe klauwier voorkomen — herkenbaar aan een staart waarin roodbruin met donkere tekening is vermengd. De vuistregel: alleen een vogel die op staartkleur, kruinkleur, maskervorm en flanktekening tegelijk klopt, geef je een naam.
Leefgebied
Droge steppe, halfwoestijn en bergsteppe, ruwweg tussen twee- en vijfentwintighonderd meter hoogte. Kenmerkend zijn tamariskstruwelen in rivierdalen, saxaul- en pistachestruweel, doornige struiken in kortgegraasde steppe en de randen van oases. Overal gaat het om dezelfde combinatie: een handvol struiken om vanaf te jagen en in te nestelen, met open, kale grond eromheen waar sprinkhanen, kevers en hagedissen te pakken zijn. Prooien worden op doorns gespietst en bewaard, precies zoals hier bij de grauwe klauwier.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt van Toeva en Mongolië tot Noordwest- en Midden-China, zuidoostwaarts tot het Qaidambekken. De westelijke vogels overwinteren in Arabië, de Nijlvallei en Oost-Afrika, de oostelijke in Noordwest-India en Pakistan. Binnen dit kaartgebied is hij vooral doortrekker: in Koeweit, Bahrein, Qatar, het oosten van Saoedi-Arabië, Israël en het westen van Iran is hij in maart en april en van september tot november een gewone verschijning, met in de winter kleinere aantallen. In Noordwest-Europa daarentegen is hij een dwaalgast. Nederland telt eenentwintig aanvaarde gevallen sinds de eerste op Texel in mei 1995; op één decembergeval uit 1996 na vielen alle andere in het najaar, met veertien alleen al in oktober, en Texel, Bergen en Vlieland leverden de meeste. Groot-Brittannië heeft een vergelijkbaar aantal, met Shetland als hoofdplaats. In Spanje is het een grote zeldzaamheid: een handvol gevallen, meest aan de kust en in het najaar of de winter.
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
In West-Europa half september tot begin november, aan de kust, na dagen met een oostelijke stroming. Scan struiktoppen, hekken en draden aan de rand van duinstruweel of een ruig veldje; de vogel jaagt vanaf een lage post en keert er telkens naar terug. Let bij het opvliegen op de staart: het roestrood is dan het duidelijkst. Wil je de vogel echt op naam brengen, maak dan beelden van de kruin, de voorkant van het masker en de flanken — op die drie punten wordt het onderscheid met de Turkestaanse klauwier beslist.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern), met een groot en dunbevolkt areaal in Centraal-Azië en geen aanwijzingen voor een snelle afname. Voor Europa is dit geen soort met een beschermingsstatus maar een gast, en het aantal gevallen zegt vooral iets over de aandacht van waarnemers: sinds deze soort en de Turkestaanse klauwier apart worden behandeld, is duidelijk geworden dat de daurische klauwier veruit de gewoonste van de twee is in Noordwest-Europa. Wel is een deel van de oudere gevallen niet meer aan een van beide toe te wijzen.


