Alle soorten › Spechtachtigen › Spechten › Grijskopspecht
Grijskopspecht | Picus canus
Gray-headed woodpecker | Pito cano
Een slankere, zachter groene specht van oude loofbossen in Midden-, Oost- en Noord-Europa, met een egaal grijze kop zonder masker. Anders dan de groene specht roffelt hij wel degelijk, en zijn zang is een wegstervende reeks fluittonen.
Geluid
De zang is een reeks van zes tot vijftien heldere, klagende fluittonen, tjuu-tjuu-tju-tju-tju, die in toonhoogte zakken en tegen het eind trager worden en wegsterven; zuiverder en weemoediger dan het schallende lachen van de groene specht. Daarnaast een scherp kjuk. Van februari tot mei roffelt het mannetje veel: een lange, gelijkmatige, ver dragende roffel van ruim een seconde.
Opname: Matěj Tvarůžka — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Iets kleiner en fijner gebouwd dan de groene specht, olijfgroen van boven met een geelgroene stuit en egaal lichtgrijze onderdelen zonder tekening. De kop is effen grijs met alleen een dunne zwarte teugelstreep en een smalle zwarte baardstreep; het mannetje draagt een klein rood voorhoofd, het wijfje helemaal geen rood. Het oog is donkerrood, de snavel korter en spitser. Jonge vogels zijn valer en vaag gebandeerd op de flanken.
Verwarringssoorten
Naast kleur en kopdetail helpen drie dingen tegen de groene specht: het donkerrode oog tegenover diens lichte iris, het ontbreken van rood in de nek — bij het wijfje is de hele kop grijs — en de doffere, minder gele stuit. Beslissend is het gedrag: de grijskopspecht roffelt lang, luid en regelmatig, en hij blijft veel dichter bij gesloten bos.
Leefgebied
Oud, gesloten loofbos met veel dood hout: beukenbos, eiken-haagbeukenbos en vooral ooibos langs rivieren, tot in gemengd berg- en boreaal bos. Ook in hoogstamboomgaarden en boomweiden, en op bosranden en kapvlakten waar hij op de grond mierennesten opzoekt. Duidelijk meer aan bos gebonden dan de groene specht.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Van Oost-Frankrijk, Zwitserland en Duitsland oostwaarts door Midden- en Oost-Europa, de Balkan en Scandinavië tot in Rusland, en verder door Azië tot Japan en de Himalaya. Ontbreekt in Groot-Brittannië, Ierland en op het Iberisch Schiereiland. Nederland kent zeven aanvaarde gevallen tussen 1974 en 2014; de dichtstbijzijnde broedvogels zitten in de Ardennen en de Eifel. Standvogel.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Loop in maart en april vroeg door oud beuken- of ooibos in de Ardennen, de Eifel of Midden-Europa en luister naar de dalende fluitreeks en de lange roffel. Territoria zijn jarenlang trouw aan dezelfde boskom; wie de plek eenmaal kent, vindt de vogel terug. In strenge winters komt hij in bosrijke dorpen soms op vetbollen af.
Staat van instandhouding
Wereldwijd talrijk en stabiel, maar in West-Europa hard achteruit. In Frankrijk geldt de soort als bedreigd met nog duizend tot vierduizend paren, en in België liep het aantal meldingen terug van vijfentachtig in 1972 tot zes in 2019. Het verlies van oud loofbos met dood hout, het rechttrekken van rivieren en het verdwijnen van hoogstamboomgaarden zijn de belangrijkste oorzaken.



