Alle soorten › Zangvogels › Leeuweriken › Kuifleeuwerik
Kuifleeuwerik | Galerida cristata
Crested lark | Cogujada común
De leeuwerik van de kale grond aan de rand van de bebouwing: bedrijventerreinen, parkeerplaatsen, spoorwegemplacementen, wegbermen en stoffige akkerpaden. Een forse, zandkleurige vogel met een spitse kuif, die liever voor je uit wegloopt dan opvliegt en die zijn weemoedige fluitje het hele jaar door laat horen. In Nederland is hij als broedvogel zo goed als verdwenen; wie hem wil zien gaat naar Zuid- of Oost-Europa.
Geluid
Zuiver en weemoedig gefloten, en meestal het eerste wat je van de vogel opmerkt. De roep is een vloeiend, klaaglijk tjoe-tjie-tjoe of doe-dieoe-die van drie tot vier heldere tonen, die als het fluitje van een herder over een leeg parkeerterrein zweeft. De zang bestaat uit korte, gevarieerde reeksen van diezelfde vloeiende fluittonen, met veel imitaties van andere vogels ertussen, gebracht vanaf de grond, een paaltje, een lantaarnpaal of een plat dak en soms in een trage, hoge zangvlucht. Hij zingt het hele jaar door, met een piek van februari tot mei en opvallend veel zang op zonnige winterochtenden.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Grof gebouwde leeuwerik met een grote kop, een korte staart en een lange, spitse kuif die meestal als één punt overeind staat. De snavel is lang en krachtig, met een licht gebogen bovenrand en een vleeskleurige ondersnavel, en oogt bijna te zwaar voor de vogel. Bovendelen zandbruin tot grijsbruin met vage donkere strepen; de borst is vuilwit met uitgelopen bruine strepen die op de flanken vervagen, de buik ongestreept. In vlucht zie je brede, ronde vleugels zónder witte achterrand, een korte staart waarvan de buitenste pennen roestbruin zijn in plaats van wit, en — het beste kenmerk van allemaal — een warm roestoranje ondervleugel. Loopt met korte pasjes over kaal zand en gruis en komt pas op het laatste moment traag en laag los van de grond.
Verwarringssoorten
Kuifleeuwerik en theklaleeuwerik zijn het lastigste paar van deze gids; op de soortpagina van de theklaleeuwerik staat hetzelfde verschil vanaf de andere kant beschreven. Werk de vogel van kop naar staart af. De snavel is bij de kuifleeuwerik lang en spits toelopend met een vrijwel rechte onderrand, ongeveer zo lang als de halve kop; bij de theklaleeuwerik is hij korter, dieper aan de basis en duidelijk bol van bovenrand, waardoor de kop stomper en ronder oogt. De kuif is hier lang, smal en puntig en wordt vaak als één spies gedragen, daar korter en waaiervormig, zodat je de losse veerpunten uit elkaar kunt houden. De borststrepen zijn hier vaag, bruin en uitgelopen op een vuilwitte ondergrond, daar scherp begrensde, bijna zwarte druppels op zuiver wit, doorlopend tot op de flanken. De onderstaartdekveren zijn hier warm oker tot roestbeige, daar bleek crème tot vuilwit. De ondervleugel is hier warm roestoranje en bij een opvliegende vogel vaak beslissend, daar grijsbeige tot vuilwit. Ten slotte de stuit: bij de kuifleeuwerik roestbruin en vloeiend overlopend in de staart, bij de theklaleeuwerik grijzer en juist contrasterend. Neem daarnaast leefgebied en stem mee — een Galerida op een rots of struik in ruw, stenig terrein is in Iberië eerder een theklaleeuwerik. Veldleeuwerik heeft een witte achterrand aan de vleugel, witte buitenste staartpennen, een veel kortere kuif en een langere staart; boomleeuwerik is klein en kortstaartig, met een lange lichte wenkbrauwstreep tot in de nek en een zwart-wit blokje op de vleugelbocht.
Leefgebied
Kale, warme, verstoorde grond met lage en open begroeiing: bedrijventerreinen, havens, emplacementen, vliegvelden, wegbermen, erven, akkerranden en stoppelvelden, en verder braakland, steppe en halfwoestijn. Hij foerageert lopend op open zand en gruis en heeft daarnaast wat pollen of ruigte nodig om het nestkuiltje in te verbergen. Zodra zulk terrein wordt ingezaaid, bestraat of dichtgroeit, is de vogel binnen enkele jaren weg.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Van Portugal en Marokko oostwaarts door Zuid- en Midden-Europa, de Balkan, Turkije en het Midden-Oosten, en buiten het kaartgebied verder tot in Centraal-Azië, China en Korea; in het zuiden tot in de Sahel. Binnen Europa is hij het talrijkst rond de Middellandse Zee, op de Balkan en in Oost-Europa. In Nederland en Noordwest-Duitsland is hij als broedvogel zo goed als verdwenen, en ook in Frankrijk, Polen en Denemarken gaat hij hard achteruit. Het is een echte standvogel: hij blijft het hele jaar binnen een paar kilometer van zijn broedplek, en trekwaarnemingen zijn er nauwelijks.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
In Zuid-Europa kost het geen moeite. Loop op een warme ochtend een stoffig akkerpad af, of de parkeerplaats bij een opgraving, een tankstation of de rand van een dorp, en let op een zandkleurige vogel die vóór je uit wegloopt in plaats van weg te vliegen. Het weemoedige fluitje verraadt hem meestal eerder dan de kijker. Kijk bij een opvliegende vogel naar de ondervleugel: warm roestoranje hoort bij de kuifleeuwerik. Zit de vogel in Iberië op een steen of een struik in rotsig, begroeid terrein, controleer dan eerst snavel en borststrepen, want dan is de theklaleeuwerik minstens zo waarschijnlijk.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (LC), maar in Noordwest-Europa is de kuifleeuwerik in één mensenleven van gewoon naar afwezig gegaan. In Nederland broedden in de jaren zeventig nog enkele duizenden paren, vooral in nieuwbouwwijken, op bedrijventerreinen, langs spoorlijnen en op opgespoten terreinen; sinds de jaren tien van deze eeuw is er hooguit nog een enkel broedgeval. De verklaring zit in de aard van zijn leefgebied. Hij leefde van tijdelijke, kale pioniergrond, en juist die grond werd ingezaaid, bestraat, beplant of opgeruimd zodra een wijk of terrein af was. Daar kwamen schaalvergroting in de landbouw, netter beheerde bermen en het verdwijnen van stoppelvelden en erven met gemorst graan bovenop. In Zuid- en Oost-Europa is hij nog algemeen, al zakt ook daar de stand langzaam.




