Alle soorten › Zangvogels › Leeuweriken › Theklaleeuwerik
Theklaleeuwerik | Galerida theklae
Thekla's lark | Cogujada montesina
De kuifleeuwerik van de stenige helling. Hij komt in Europa alleen in Iberië en op de Balearen voor, plus in Noordwest-Afrika, en hij is voor de meeste Nederlandse vogelaars vooral bekend als de vogel waarvan je op een Spaanse vakantie nooit helemaal zeker weet of je hem nu wel of niet hebt gezien. Toch is hij goed te doen, mits je op drie dingen tegelijk let: snavel, borst en terrein.
Geluid
Meestal de doorslaggevende aanwijzing. De zang is langer, sneller en muzikaler dan die van de kuifleeuwerik: een aaneengesloten, babbelend en jubelend geheel van korte motieven, rijk aan imitaties van andere vogels, dat een halve minuut of langer kan doorgaan. Hij zingt vanaf een rotsblok, een muurtje of de top van een struik, en daarnaast in een wijde, cirkelende zangvlucht die minutenlang boven de helling kan blijven hangen — iets wat de kuifleeuwerik zelden doet. De roep is droger, harder en meer nasaal dan het vloeiende fluitje van de kuifleeuwerik, vaak een kort, ietwat blikkerig drie-drie-drie of tjrie-tjuu. Het seizoen loopt van januari tot in juni, met veel zang in februari en maart.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Iets kleiner en compacter dan de kuifleeuwerik, met een naar verhouding grotere, rondere kop en een korter, dieper aangezet snaveltje waarvan de bovenrand duidelijk bol is en de punt donker; de basis van de ondersnavel is grijsblauw in plaats van vleeskleurig. Het kuifje is korter en waaiervormig, zodat de losse veerpunten te onderscheiden zijn, en wordt vaak half neergelegd. De bovendelen zijn kouder en grijzer bruin dan bij de kuifleeuwerik, met scherpere tekening. Het beslissende plaatje zit op de borst: scherp begrensde, bijna zwarte druppelvormige strepen op een zuiver witte ondergrond, die tot op de flanken doorlopen. De onderstaartdekveren zijn bleek crème tot vuilwit, de ondervleugel grijsbeige. In vlucht valt de grijzere stuit op, die contrasteert met de roestbruine staartzijden — bij de kuifleeuwerik lopen stuit en staart juist vloeiend in elkaar over. Zit vaker dan de kuifleeuwerik op een steen, een muurtje of de top van een struik.
Verwarringssoorten
Alles draait om de kuifleeuwerik — zie ook zijn soortpagina, waar hetzelfde verschil vanaf de andere kant is beschreven. De kuifleeuwerik is groter en grover, met een langere, spitsere snavel met vrijwel rechte onderrand, een langere en puntiger kuif die als één spies overeind staat, vage en uitgelopen bruine borststrepen op vuilwit, warm okerkleurige onderstaartdekveren, een warm roestoranje ondervleugel en een roestbruine stuit die vloeiend overgaat in de staart. Geen van die kenmerken is op zichzelf waterdicht; drie of vier van dezelfde vogel wel. Het leefgebied telt hier bijna even zwaar mee als het verenkleed: rotsige hellingen, stenige braakgronden, garrigue en dehesa met kale plekken horen bij de theklaleeuwerik, terwijl vlak bouwland, wegbermen, havens en bedrijventerreinen bij de kuifleeuwerik horen. En de zang beslist: die van de theklaleeuwerik is langer, muzikaler en vol imitaties, die van de kuifleeuwerik korter en zuiver gefloten. Kortteenleeuwerik en kleine kortteenleeuwerik zijn kleiner, hebben geen kuif en een korte, kegelvormige snavel; boomleeuwerik heeft een zeer korte staart en een zwart-wit blokje op de vleugelbocht.
Leefgebied
Stenige, warme, schrale hellingen met lage en open struiklaag: garrigue en tomillar, doornstruweel, verwaarloosde terrassen, rotsige braakgronden, puinhellingen, badlands en de randen van rotsplateaus. Ook in ijle dehesa met kale plekken, in olijfgaarden op steenachtige grond en op kustkliffen. Hij foerageert lopend tussen de struikjes op open, stenige bodem, en gebruikt keien en struiktoppen als uitkijk- en zangpost. In het zuiden van Spanje tot ruim tweeduizend meter hoogte in de Sierra Nevada. Vlak, intensief bouwland en verhard terrein laat hij aan de kuifleeuwerik.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Het Iberisch Schiereiland, de Balearen en Noordwest-Afrika, van Marokko tot Libië; verder komt hij nergens in Europa voor. In Spanje is hij wijdverbreid in het zuiden, oosten en midden — Andalusië, Murcia, Valencia, Aragón, La Mancha, Extremadura — en schaarser in het vochtige noorden. In Portugal vooral in het zuiden en langs de Algarve-kust. Standvogel: hij verplaatst zich hooguit van de hogere sierra's naar lager gelegen, mildere hellingen in de winter.
- Jaarrond
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Kies het terrein, niet de vogel. Loop in maart of april een stenige, met tijm en brem begroeide helling op boven een Andalusisch of Aragonees dorp, blijf staan en wacht op de zang. Vrijwel elke Galerida die daar vanaf een rotsblok of een struiktop zingt of in een cirkelende zangvlucht boven de helling hangt, is een theklaleeuwerik. Controleer daarna de korte, bolle snavel en de scherpe zwarte druppels op de witte borst. In de vlakte beneden, langs de weg en op het bouwland, moet je juist aan de kuifleeuwerik denken. Op één dag beide soorten opzoeken — eerst de helling, dan het dal — is de snelste manier om het verschil voorgoed te leren.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (LC) en in Iberië en de Maghreb nog wijdverbreid, maar het is een soort van een leefgebied dat langzaam verdwijnt. Waar de beweiding met schapen en geiten stopt, groeit open garrigue dicht tot hoog struweel en verdwijnt de vogel; waar open struweel wordt beplant met dennen of omgezet in intensieve boomgaarden en grootschalige zonneparken, gebeurt hetzelfde. Branden werken op korte termijn juist in zijn voordeel, omdat ze het struweel weer laag en open maken. De Spaanse tellingen van algemene broedvogels wijzen sinds de eeuwwisseling op een geleidelijke afname. Behoud van extensief begraasde, stenige hellingen met lage struiken is de kern van zijn bescherming.




