Alle soorten › Zangvogels › Kraaiachtigen › Notenkraker
Notenkraker | Nucifraga caryocatactes
Eurasian nutcracker | Cascanueces común
De notenkraker is een chocoladebruine vogel waar iemand met een fijn penseel witte druppels over heeft gestrooid. Hij is vooral bekend om wat hij in zijn kop meedraagt: hij begraaft in één najaar tienduizenden zaden in duizenden kleine voorraadjes, verspreid over een heel berghellingdeel, en haalt ze maanden later onder een halve meter sneeuw weer tevoorschijn.
Geluid
Een hard, droog rollend krrrèèh krrrèèh, langgerekt en ratelend, alsof er aan een houten ratel wordt gedraaid; het draagt ver over een dal en is meestal het eerste teken dat er een notenkraker in de buurt zit. Daarnaast korte krassende roepen en, van dichtbij, een zacht en verrassend gevarieerd binnensmonds gezang met piepjes, klikjes en wat imitaties. Het hele jaar te horen, het meest vanaf een kale kruin boven het bos, en het luidst in het late voorjaar.
Opname: Zdeněk Vermouzek — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Ongeveer zo groot als een gaai, maar korter van staart en compacter, met brede, afgeronde vleugels en een zware, rechte snavel die naar de punt toe iets wigvormig wordt. Het hele lichaam is warm chocoladebruin en bezaaid met scherp afgetekende witte druppels, het dichtst op borst en flanken. De kruin en het achterhoofd blijven effen donkerbruin — daar zitten geen druppels — en de vleugels en staart zijn zwart met een groene glans. Aan de onderkant vallen twee heldere witte vlakken op: een brede witte broek onder de staartbasis en een witte eindband over de staart, die vooral bij het wegvliegen en bij het strijken van de vleugels zichtbaar is. De vlucht is zwaar en golvend, met korte glijstukken en een silhouet dat door de korte staart bijna kop-zwaar oogt. Jonge vogels zijn doffer, met vagere druppels.
Verwarringssoorten
De gaai is de enige echte kandidaat: even groot, vaak in hetzelfde bos en met een even fladderende vlucht, maar roze van lijf met een blauw vleugelpaneel, een witte stuit tegen een zwarte staart en een gestreepte kruin. Bij de notenkraker zit het wit juist onder de staart en op de staartpunt, en is het lichaam bruin met witte druppels. Op afstand of tegen de lucht kan het silhouet ook aan een zwarte kraai of een roek doen denken, maar die zijn veel groter, geheel donker en veel rustiger van vleugelslag. Wie een gespikkelde vogel ziet en aan een spreeuw denkt, hoeft daar bij dit formaat niet lang over te twijfelen — de notenkraker is bijna twee keer zo lang en heeft een veel zwaardere snavel. Twee ondersoorten zien er in het veld verschillend uit: de Europese vogel heeft een korte, dikke snavel waarmee hij hazelnoten kraakt, de Siberische een langere en opvallend dunnere snavel, waarmee hij zaden uit dennenkegels wrikt.
Leefgebied
Naaldbos en gemengd bos in de bergen en in de noordelijke taiga, met een voorkeur voor oude opstanden waar zaadrijke bomen staan: de arve in de Alpen en de Karpaten, de Siberische den verder oostwaarts. Waar hazelaars in de zoom van loofbos en gemengd bos groeien, gebruikt hij die net zo goed, en in invasiejaren staat hij in tuinen en parken onder een noteboom. Foerageert hakkend en wrikkend in kegels en noten, en zoekt daarnaast kevers, rupsen en af en toe een ei of een jonge vogel. Broedt vroeg, al in maart, in een dicht bebouwd nest hoog tegen de stam van een spar — de jongen worden grotendeels grootgebracht van zaden uit de voorraad van het vorige najaar.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt in de bergen van Midden- en Zuidoost-Europa — Alpen, Jura, Zwarte Woud, Beierse Woud, Karpaten, Balkan — en verder in Scandinavië, de Baltische staten en Rusland, in een band die zonder onderbreking doorloopt tot in Noordoost-China en Japan. In Nederland is hij geen broedvogel; hij verschijnt in invasiejaren, wanneer in Siberië de kegeloogst mislukt en de Siberische ondersoort in augustus en september massaal westwaarts trekt. Zulke jaren zijn zeldzaam en onvoorspelbaar — 1968 was het grootste, met vogels tot in Groot-Brittannië — en daartussen kan het jaren stil blijven. In Spanje ontbreekt hij; de dichtstbijzijnde broedvogels zitten in de Franse Alpen en de Jura.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in september of oktober naar een arvenbos in de Alpen, boven de vijftienhonderd meter, en ga zitten waar je over de boomtoppen kijkt. In die weken zijn de vogels de hele dag in de weer: ze halen een kegel uit elkaar, vullen de keelzak met een handvol zaden en vliegen die honderden meters verderop naar een open plek of een steenrand, waar ze de zaden onder mos en gruis wegwerken. Kom in maart terug en je ziet dezelfde vogels, dan met sneeuw tot aan hun buik, precies die plekken weer uitgraven.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (IUCN: Least Concern) en in Europa stabiel, met de grootste aantallen in Roemenië, Zwitserland en Bulgarije. Waar het misgaat, gaat het steeds om hetzelfde: de soort hangt aan oude bossen met zaaddragende bomen, en aan hazelaars in de bosrand. Waar arvenbos wordt gekapt of niet meer verjongt, verdwijnt hij mee — en met hem verdwijnt ook de vogel die dat bos grootbrengt, want de voorraadjes die hij niet terugvindt zijn de kiemplaatsen van de volgende generatie arven.


