Alle soorten › Zangvogels › Mezen › Rouwmees
Rouwmees | Poecile lugubris
Sombre tit | Carbonero lúgubre
De rouwmees is de grote, sombere mees van het zuidoosten: een vogel van oud, open eikenbos, van boomweiden en van stenige hellingen met verspreide bomen, van Kroatië en Griekenland tot diep in Turkije en het Midden-Oosten. Hij is de grootste van het geslacht Poecile en gedraagt zich er ook naar — traag, zwaar en luidruchtig, meer als een kleine klauwier dan als een mees.
Geluid
Luid, hard en onmezig. De roep is een snerpend, laag en breed tsjèrr-tsjèrr-tsjèrr, ratelend en met een schurende ondertoon die eerder aan een boze huismus of aan een klauwier doet denken dan aan een mees; er gaan vaak een paar dunne tsi-tsi tikjes aan vooraf. De uitroep tsji-tsjèrr is een goede eerste aanwijzing dat de soort in de buurt zit. De zang is eentonig en herhalend, een reeks korte, wat blikkerige groepjes tsji-tsji-tsjuwie of tsjip-tsjip-tsjerr, langzamer en zwaarder dan de rappe ratel van de glanskop, en het hardst te horen van maart tot mei. Het geluid draagt ver over open hellingen.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Groot en fors gebouwd, met een opvallend zware kop, een dikke hals en een stevige, wat lange snavel; naast een glanskop is het verschil in formaat meteen duidelijk. De pet is dof zwartbruin zonder glans en loopt tot ver in de nek door. Het bibje is groot en breed, roetzwart, en zakt als een brede driehoek uit over de bovenborst — het meest kenmerkende veldkenmerk van de soort. De wangen en de halszijden zijn vuilwit tot grijswit en beslaan een groot vlak dat zich tot achter de oordekveren uitstrekt. De bovendelen zijn grijsbruin en dof, de onderdelen vuilwit met grijsbeige flanken; er is geen enkele warme of felle kleur in het verenkleed, vandaar de naam. De staart is naar verhouding lang, de vleugel egaal met hooguit smalle lichte veerranden. Mannetje en vrouwtje zien er hetzelfde uit.
Verwarringssoorten
De glanskop is de enige echte verwarringssoort, en de twee overlappen precies in het zuidoosten — in Bulgarije, Noord-Griekenland, Servië en Noordwest-Turkije zitten ze in hetzelfde bos. Formaat beslist meestal: de rouwmees is een kwart groter, met een veel zwaardere kop en snavel en een tragere, log ogende manier van bewegen. Daarnaast is de pet van de glanskop glanzend blauwzwart en scherp afgesneden, die van de rouwmees dofbruinzwart en langer doorlopend; het bibje van de glanskop is klein en netjes, dat van de rouwmees breed en ver uitlopend; en waar de glanskop schoon wit en licht beige oogt, is de rouwmees overal vuilgrijs. De matkop komt in het grootste deel van dit gebied niet voor. Op afstand kan een grote, donkere mees op een steenhelling ook aan een grauwe klauwier doen denken, maar die heeft een lange staart en zit rechtop op een uitkijkpost.
Leefgebied
Open, oud loofbos en halfopen boomland op droge, stenige grond: verspreide oude eiken op een helling, boomweiden waar vee onder de bomen loopt, verwilderde boomgaarden, hoge maquis met opgaande bomen, en oude houtwallen en boomrijen langs terrassen. Ook gemengd berg- en dennenbos tot hoog in de bergen, mits het bos open blijft. Hij mijdt gesloten, donker bos en houdt van randen, open plekken en rotsig terrein met zon. Broedt in bestaande holtes in oude bomen, maar ook in rotsspleten en muren, en foerageert traag en grondig in de bovenste takken en tussen de bladeren, waar hij grote insecten en in de winter eikels en zaden verwerkt door ze met de poot vast te klemmen en open te hakken.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Van het zuidoosten van Europa tot in het Midden-Oosten: Kroatië en Bosnië zuidwaarts door Servië, Montenegro, Albanië, Noord-Macedonië, Bulgarije en heel Griekenland tot op de grotere eilanden, oostwaarts door heel Turkije, de Kaukasus, Syrië en Libanon, en in de bergen van Noordwest-Iran. Het is daarmee een vogel waarvan het hele areaal vrijwel binnen het gebied van deze gids valt. Standvogel: hij trekt niet en verlaat zijn territorium hooguit voor een verschuiving naar lager gelegen hellingen in strenge winters. In Nederland komt hij niet voor; Nederlandse vogelaars maken hem mee op reizen naar Griekenland, Bulgarije of Turkije, waar hij tot de vaste soorten van een dag in de heuvels hoort.
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in maart en april op zuidhellingen met oude, verspreide eiken — het klassieke beeld is een halfopen helling boven een dorp, met steenhopen, doornstruiken en een paar knoestige bomen. Loop langzaam en luister vooral: het harde tsjèrr verraadt hem eerder dan het oog, want hij foerageert traag en verscholen in het gebladerte. Vroeg in de ochtend zit hij vaak hoog en open op een dode tak. Griekse en Bulgaarse berggebieden zijn het gemakkelijkst; in de winter komt hij in dorpen soms op voedertafels af. Let bij elke waarneming op formaat en kopzwaarte: dat is bij deze soort een betrouwbaarder kenmerk dan de kleur van de pet.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, en over het hele areaal gezien nog talrijk en wijdverbreid. Toch is de rouwmees plaatselijk kwetsbaar, want hij hangt aan een landschap dat verdwijnt: de oude boomweiden en beweide eikenhellingen van de Balkan raken in onbruik en groeien dicht tot gesloten struweel, of worden juist opgeruimd voor akkerbouw en bebouwing. Ook het kappen van oude, holtenrijke bomen rond dorpen doet hem geen goed. In Griekenland en Turkije is de stand voorlopig stabiel; in delen van de Balkan neemt hij plaatselijk af. Behoud van extensief beweid, halfopen eikenland met oude bomen is de beste bescherming.



