Alle soortenZangvogelsStaartmezen › Staartmees

Staartmees

Aegithalos caudatus | Long-tailed tit | Mito común

De staartmees is geen echte mees maar een pluizige bal van acht gram met een staart die langer is dan de rest van de vogel. Hij reist in familietroepjes die zich met een onophoudelijk gebabbel door de struiken werken; je hoort ze altijd voordat je ze ziet.

Staartmees (Aegithalos caudatus)
Foto: Tomas Broucek — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een echte zang heeft de staartmees nauwelijks; wat hij heeft is een onafgebroken contactgebabbel waarmee de troep bij elkaar blijft, en dat is het geluid waaraan je hem herkent. Drie elementen wisselen elkaar af: een ijl, hoog en snel sie-sie-sie, dat op dat van een goudhaan lijkt maar iets voller is; een kort, hard pt of tuup; en vooral een droge, ratelende, wat kwetterende tserrrp of tsjerr-r-r, alsof er een klein raspje wordt afgestreken. Die ratel is het beslissende geluid en draagt verrassend ver. Een troepje klinkt daardoor als een voortdurend, onrustig gepiep en geratel dat langzaam door de bosrand schuift, met steeds nieuwe vogels die aanhaken. Te horen het hele jaar door, maar het duidelijkst van oktober tot maart, wanneer de familiegroepen rondzwerven; in de broedtijd zijn de vogels juist stil en onopvallend. Vroeg in het voorjaar laat het mannetje soms een zacht, wat schetterend zangetje horen dat weinig meer is dan aaneengeregen roepjes.

Luister: Contactroepjes en ratel van een troepjeXC512590

Opname: Jochem Verweij — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Onmiskenbaar door de vorm: een bolrond lijfje met een piepklein rond kopje, een minuscuul stomp snaveltje en een zeer lange, zwart-witte, trapsgewijs aflopende staart die ruim de helft van de totale lengte uitmaakt. Bovendelen zwart met een roze-bruin schoudervlak, onderdelen vuilwit met roze waas op flanken en buik. Bij de bij ons broedende ondersoort europaeus loopt een brede zwarte band van de snavel over het oog naar de nek, met een vuilwitte middenkruin ertussen. De naakte oogring is bij volwassen vogels geel tot oranjerood. De vlucht is zwak en golvend, met de staart wapperend achteraan, en gebeurt vrijwel altijd één voor één achter elkaar aan.

Verwarrings­soorten

Verwarring is nauwelijks mogelijk, maar let op twee dingen. In rietland heeft de baardman ook een lange staart, maar die is warm oranjebruin, met een blauwgrijze kop en een zwarte baardstreep bij het mannetje, en hij verlaat het riet nooit. En in sommige najaren duiken hier noordelijke staartmezen van de vorm caudatus op, met een gehéél witte kop zonder zwarte kopband; die 'witkopstaartmees' is dezelfde soort maar valt in een troepje meteen op. In Spanje broedt de vorm irbii, die juist een donkere, grijszwarte kop heeft. Op geluid: het ijle sie-sie-sie lijkt op dat van goudhaan en pimpelmees, maar de droge ratel tserrp ertussendoor is uniek.

Leefgebied

Loofbos en gemengd bos met een dichte struiklaag, bosranden, houtwallen, verwilderde hagen, moerasbosjes met wilg en berk, beekbegeleidend struweel, parken, begraafplaatsen en grote tuinen. Het nest is een van de knapste bouwwerken van Europa: een gesloten, eivormige bal van mos en spinrag, van buiten gecamoufleerd met korstmossen en van binnen bekleed met soms meer dan duizend veren, gebouwd in een braamstruik of een gaffel van een doornstruik. In Spanje ook in steeneiken- en pijnboombos en in rivierbegeleidend populieren- en wilgenbos.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Van Ierland tot Japan, in een lange reeks ondersoorten die van west naar oost steeds witter van kop worden. In Nederland een algemene en de laatste decennia toenemende broedvogel van bos, struweel en tuin, het hele jaar aanwezig en niet of nauwelijks trekkend; in invasiejaren komen er in oktober noordelijke, witkoppige vogels bij, die dan tot in de duinen en op de Waddeneilanden opduiken. In Spanje is de soort wijdverbreid in het noorden en midden en schaarser in het droge zuidoosten.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • Trekrichting
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2024-08-01 – 2026-07-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

De beste maanden zijn november tot februari: loop dan langs een bosrand of een houtwal en luister naar de ratel. Zodra je die hoort, blijf staan en wacht; de troep komt vaak recht op je af en passeert op een paar meter, want staartmezen zijn opvallend weinig schuw. Volg zo'n troepje even, want er hangen bijna altijd andere soorten aan: pimpelmezen, matkoppen, boomkruipers, goudhaantjes en in het najaar soms een bladkoning. Wie het nest wil zien, moet half maart naar een bramen- of gaspeldoornstruweel gaan, wanneer het bouwen begint en de bladeren nog niet in de weg zitten.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en in grote delen van Europa toenemend, vooral dankzij de opeenvolging van zachte winters en de groei van struweel in bossen en stadsranden. Strenge vorstperiodes zijn de grote bedreiging: een winter met langdurige sneeuw en ijzel kan lokaal meer dan de helft van de vogels kosten. Doordat een paar tot tien of meer jongen per broedsel grootbrengt en helpers uit de familiegroep meevoeren, is het herstel meestal binnen twee of drie jaar voltooid.