Alle soortenZangvogelsLeeuweriken › Witvleugelleeuwerik

Witvleugelleeuwerik | Alauda leucoptera

White-winged lark | Calandria aliblanca

Een steppeleeuwerik met een driekleurige vleugel: kastanjebruine schouder, sneeuwwitte armpennen en zwarte handpennen. Zodra hij opvliegt is de zaak beslist — en dat is maar goed ook, want zittend in het gras is het gewoon een grote, bleke leeuwerik. De gids plaatst hem bij de veldleeuwerik in het geslacht Alauda, niet langer bij de kalanderleeuweriken.

Witvleugelleeuwerik (Alauda leucoptera)
Foto: Алина Урусова — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang lijkt op die van de veldleeuwerik maar is korter van frase, hoger en drukker, met veel snel herhaalde motiefjes en imitaties; hij houdt hem niet minutenlang aaneen. Het mannetje zingt in een hoge, wijde zangvlucht die soms tientallen meters boven de steppe uitkomt en eindigt in een steile duik, en daarnaast vanaf een kluit of een paaltje. De roep is een krachtig, laag tsjirrp, voller en minder rollend dan bij de veldleeuwerik, en een droog tsjrit in vlucht. Hij zingt van april tot in juli.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Iets groter en zwaarder dan een veldleeuwerik, met een dikkere snavel en een korte staart. Het mannetje heeft een roestrode kruin en roestrode wangen en schouderveren, een witachtig gezicht met een fijne oogring en een bleke, ongestreepte onderzijde met alleen wat vlekjes op de borstzijden. Het beeld dat telt zit in de vleugel: de kleine dekveren zijn kastanjebruin, de grote dekveren en de hele armpen zijn wit, en daarbuiten steken de zwarte handpennen af. In vlucht levert dat een breed wit veld in de achtervleugel op, als bij een sneeuwgors. De staart heeft witte buitenste veren. Het vrouwtje is doffer, met minder rood op kop en schouder en een grijzer, fijner gestreept voorkomen, maar houdt het witte vleugelveld.

Verwarrings­soorten

De veldleeuwerik is het uitgangspunt: die heeft alleen een smalle witte achterrand aan de vleugel en nooit een wit veld dat de halve achtervleugel beslaat, geen kastanjebruine schouder en geen roodbruine kruin. De kalanderleeuwerik is groter en zwaarder, heeft zwarte halsvlekken en juist een roetzwarte ondervleugel; hij lijkt in vlucht donker in plaats van licht. De bergkalanderleeuwerik mist elk wit in de vleugel. Op afstand kan een groep witvleugelleeuweriken in vlucht op sneeuwgorzen lijken, maar die hebben een wit-zwart vleugelpatroon zonder kastanjebruin en een heel andere, klingelende roep. Bij vrouwtjes en jonge vogels blijft het witte armpenveld het beslissende kenmerk.

Leefgebied

Droge, kruidenrijke vedergrassteppe en alsemsteppe, verlaten en verruigde akkers, kortgrazige veedrift en de randen van zilte laagtes rond steppemeren. Hij houdt van iets hogere, dichtere vegetatie dan de zwarte leeuwerik en mijdt echt kale grond. Buiten de broedtijd zoekt hij in groepen graanstoppels, wegbermen en besneeuwde steppe af, vaak samen met veldleeuweriken en zwarte leeuweriken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedvogel van de steppen van Zuid-Rusland — van de Donvlakte en Rostov over Wolgograd, Kalmukkië en Saratov tot Orenburg — en oostwaarts door Kazachstan tot Zuidwest-Siberië. Alleen die westelijke rand ligt binnen het kaartgebied; het zwaartepunt ligt ver daarbuiten. In Oekraïne broedde hij vroeger regelmatig, tegenwoordig hooguit onregelmatig. In de winter trekken de vogels naar de noordelijke Zwarte Zee, de Krim, Zuid-Oekraïne, de Noord-Kaukasus en de Kaspische laagvlakte; bij strenge vorst duiken groepen op tot in de Balkan en Turkije. Verder naar het westen is hij een dwaalgast, met slechts enkele gevallen voor West-Europa.

  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Mei en juni in de steppe van Rostov, Kalmukkië of Centraal-Kazachstan. Loop een stuk vedergrassteppe op en wacht: de zang komt van hoog boven u, en zodra de vogel invalt of een groepje opvliegt, ziet u het witte armpenveld oplichten. Zorg dat u de vleugel te zien krijgt en probeer nooit een zittende vogel op naam te brengen; op de grond is het onderscheid met de veldleeuwerik in twijfelgevallen niet te maken. In de winter loopt u dezelfde vlaktes af tot de gemengde groepen opvliegen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC) op wereldschaal, maar aan de westrand van het areaal gaat het slecht. In Oekraïne en het Europese deel van Rusland is de soort in enkele decennia sterk uitgedund; het ploegen van de laatste vedergrassteppe, de omzetting van veedrift in bouwland, het wegvallen van extensieve beweiding en het uitdrogen van de zilte laagtes komen allemaal op hetzelfde neer. In Kazachstan is het bestand nog groot, maar ook daar wordt braakland dat na 1991 vrijkwam weer in cultuur gebracht. De sleutel is dezelfde als voor alle steppevogels: grote, ongeploegde vlaktes met extensieve begrazing.