Alle soortenZangvogelsLeeuweriken › Zwarte leeuwerik

Zwarte leeuwerik | Melanocorypha yeltoniensis

Black lark | Calandria negra

Een roetzwarte leeuwerik met een ivoorwitte snavel — in het hele kaartgebied is er geen tweede zangvogel die er zo uitziet. Hij hoort bij de zoutsteppe van Zuid-Rusland en Kazachstan, waar de mannetjes de winter gewoon uitzitten terwijl de veel onopvallender vrouwtjes in groepen naar het westen trekken.

Zwarte leeuwerik (Melanocorypha yeltoniensis)
Foto: Kudaibergen Amirekul — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang lijkt op die van de veldleeuwerik, maar met kortere zinnen, hoger van toon en met veel meer krassende, zoemende en nabootsende elementen; hij houdt hem niet minutenlang aan maar hakt hem in brokken. De zangvlucht is het echte spektakel: het mannetje klimt met trage, diepe slagen en zweeft dan met de vleugels in een hoge V, als een kiekendief, zwart tegen de lucht. Hij zingt ook staand op een aardkluit of een molshoop. De roep is een hard, rollend tsjirp en een droog tsjrrt, dieper dan bij de veldleeuwerik. Het mannetje sleept in het voorjaar kluiten opgedroogde mest en steentjes naar het nest en bouwt daarvan een walletje aan de windzijde.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Grote, zeer gedrongen leeuwerik met een brede kop, een korte staart en een zware, bleke snavel. Het mannetje is in het voorjaar geheel roetzwart, tot en met de ondervleugel en de onderstaart, met zwarte poten en een opvallend ivoorkleurige tot bleekgele snavel. In vers najaarskleed zitten er brede vale veerranden overheen, zodat hij grof geschubd lijkt; die randen slijten in de loop van de winter weg en pas in april is hij egaal zwart. Het vrouwtje is duidelijk kleiner en heel anders: grijsbruin, zwaar gevlekt en gestreept, met donkere ondervleugeldekveren, donkere poten en géén wit in vleugel of staart. Het formaat en de zware snavel verraden haar.

Verwarrings­soorten

Een zwart mannetje kan alleen met een spreeuw worden verward, en die heeft een spitse gele snavel, korte staart en driehoekige vleugels — de leeuwerik is compacter, loopt in plaats van te trippelen en heeft een dikke, botte snavel. Het probleem zit bij het vrouwtje. Vergeleken met een veldleeuwerik is ze zwaarder, groter van kop en veel dikker van snavel, en mist ze de witte buitenste staartveren en de witte achterrand aan de vleugel volledig; de ondervleugel is donker in plaats van licht. Een vrouwtje kalanderleeuwerik heeft zwarte halsvlekken, een witte vleugelachterrand en witte staartzijden en is daarmee zo gepiept. De witvleugelleeuwerik, die in dezelfde steppe zit, verraadt zich altijd door de witte armpennen en de kastanjebruine schouder.

Leefgebied

Vlakke, grazige en vaak zilte steppe: solonetz- en solontsjakvlaktes met alsem en zoutmelde, laagtes rond steppemeren, en kortgrazige veedrift. Hij zit bij voorkeur waar water in de buurt is en de vegetatie laag en pleksgewijs open blijft. In de winter blijven de zwarte mannetjes op de besneeuwde steppe hangen, waar ze op stoppels en langs wegen naar zaden zoeken en de sneeuw met de snavel openbreken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedvogel van de steppen tussen de Don en de Wolga — Rostov, Wolgograd, Kalmukkië, Astrachan, Saratov en Orenburg — en oostwaarts door heel Kazachstan tot aan de voet van de Altaj. Het westelijke deel van dat areaal ligt binnen het kaartgebied, maar het zwaartepunt ligt er ruim buiten, in Kazachstan. In de winter zwerven vooral vrouwtjes en jonge vogels westwaarts tot Oekraïne, de Krim en Moldavië; in strenge winters komen groepen verder Europa in. Ten westen daarvan is hij een uitzonderlijke dwaalgast, met enkele tientallen gevallen voor Europa als geheel.

Waar en wanneer kijken

April en mei in de steppe van Kalmukkië, rond de Manytsj-meren of in Centraal-Kazachstan. Rijd langzaam over een steppeweg en zoek zwarte stippen op het lichte, half besneeuwde of pas groene land; ze vallen op kilometers afstand op. Wacht daarna op de zangvlucht met de vleugels in een V — dat beeld vergeet u niet meer. In de winter zoekt u dezelfde vlaktes af naar groepen die uitsluitend uit zwarte mannetjes bestaan; de grauwe vrouwtjes zitten dan honderden kilometers verderop.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC): een groot areaal en nog altijd miljoenen vogels. De geschiedenis is er wel een van heen en weer. Het grootschalig scheuren van de steppe voor graan in de jaren vijftig en zestig kostte veel broedgebied; na 1991 viel een groot deel van dat bouwland weer braak en herstelde de soort zich. Nu neemt de druk opnieuw toe door het opnieuw in cultuur brengen van braakland, irrigatie en het uitdrogen van de zoute laagtes, terwijl juist die zilte steppe zijn kerngebied is. Aan de westrand, in Oekraïne en Zuid-Rusland, zijn de aantallen het gevoeligst.