Alle soorten › Zangvogels › Leeuweriken › Kalanderleeuwerik
Kalanderleeuwerik | Melanocorypha calandra
Calandra lark | Calandria común
De zwaarste leeuwerik van Europa en de zanger van de Zuid-Europese graanvlakte: een gedrongen vogel met een dikke snavel en een zwarte vlek aan weerszijden van de hals, die in een tergend trage zangvlucht boven het land hangt en daarbij het halve repertoire van zijn buren nabootst.
Geluid
De zang is een luide, snelle, ratelende stroom van krassende en fluitende motieven, dichter en harder dan die van de veldleeuwerik en doorspekt met imitaties: kwartel, griel, kievit, bijeneter en zelfs schaapsbellen zitten erin. Hij zingt in een wijde, trage zangvlucht met opvallend langzame, klapperende vleugelslagen, of vanaf een kluit, een steen of een draad. De roep is een droog, rollend en nasaal tsjrrrp of een hard klitra, dat over de vlakte draagt zodra een groep opgaat. De zang begint al eind januari en houdt tot in juni aan.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Groot en zwaar gebouwd, met een grote kop, een korte staart en een dikke, bleke snavel waarvan de bovenrand duidelijk gebogen is. Aan weerszijden van de onderhals staat een forse zwarte vlek, bij oude mannetjes zo breed dat het bijna een halve halsband wordt; daarboven een witte keel, een lichte wenkbrauwstreep en een donkere teugelstreep. Bovendelen grofbruin geschubd, borst okerkleurig met vage strepen, buik wit. Het beslissende beeld krijg je pas in vlucht: brede, driehoekige vleugels met een roetzwarte ondervleugel en een brede witte achterrand, en witte zijranden aan de staart. De vlucht is zwaar en bijna spreeuwachtig, heel anders dan het aarzelende fladderen van een veldleeuwerik.
Verwarringssoorten
De verwarring die telt is de bergkalanderleeuwerik — zie ook zijn eigen soortpagina, waar hetzelfde verschil vanaf de andere kant is beschreven. Die mist de witte achterrand aan de vleugel volledig, heeft een grijzige in plaats van roetzwarte ondervleugel, en een donkere staart met smalle witte punten in plaats van witte zijranden; zijn wenkbrauwstreep is scherper en loopt breed door achter het oog. Een kalanderleeuwerik zonder witte vleugelachterrand bestaat niet, dus dat kenmerk sluit het geval. De veldleeuwerik is veel kleiner en lichter, heeft een dunne snavel, witte buitenste staartveren en geen zwarte halsvlek. Kortteenleeuwerik en kleine kortteenleeuwerik wegen nog geen kwart zoveel en hebben hooguit een klein donker streepje op de halszijde.
Leefgebied
Grootschalig, boomloos en droog open land: onberegend wintergraan, braakland, distelvelden en stoppels, steenachtige pseudosteppe, en in het oosten van het gebied ook zoutsteppe rond binnenmeren. Hij vraagt ruimte en uitzicht en laat kleine, versnipperde percelen links liggen. Het nest is een kuiltje in de grond, gedekt door een graanpol of een lage struik, en de vogel foerageert lopend tussen het gewas door.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Van Portugal en Marokko oostwaarts door het Middellandse Zeegebied, de Balkan, Turkije en het Midden-Oosten tot in Centraal-Azië. Spanje herbergt verreweg het grootste deel van de Europese populatie, met zwaartepunten in Extremadura, Castilië, Aragón en La Mancha; verder broedt hij op Sardinië en Sicilië, in Zuid-Italië, Griekenland, Bulgarije en Roemenië, en met een klein restant in de Zuid-Franse Crau. Noord-Afrika telt van Marokko tot Libië flinke aantallen. In Nederland is hij een dwaalgast met een handvol aanvaarde gevallen.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Rijd in april bij zonsopgang een landweg door het Spaanse secano en zet de motor uit: boven vrijwel elk perceel hangt dan een zingende kalanderleeuwerik, en je hoort ze veel eerder dan je ze ziet. Zoek daarna een groep op de grond op en wacht tot ze opvliegen — pas dan zie je de zwarte ondervleugel met de witte achterrand, en dat is het kenmerk dat het geval sluit. In de winter zitten ze in dichte groepen van honderden op de stoppels en langs onverharde wegen.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (LC), maar in Europa gaat het hard achteruit. In Spanje is de soort sinds eind jaren negentig met tientallen procenten geslonken door de omschakeling van droog graan naar beregende gewassen, de aanleg van intensieve olijf- en amandelplantages, het verdwijnen van braak uit de rotatie en het vroege, machinale oogsten waarbij nesten sneuvelen. In Frankrijk resteert nog maar een handjevol paren in de Crau, en ook in Italië en Griekenland dunt hij uit. Behoud draait om het overeind houden van het extensieve secano: braak in de rotatie, late oogst, geen beregening en geen bebossing van de vlakte.


