Alle soortenZangvogelsLeeuweriken › Duponts leeuwerik

Duponts leeuwerik | Chersophilus duponti

Dupont's lark | Alondra ricotí

De vogel die je hoort en niet ziet. Duponts leeuwerik zingt in het laatste donkere uur voor zonsopgang vanuit het lage struikjessteppe-land van de Spaanse hoogvlaktes, en is een uur later spoorloos: hij rent muisstil weg tussen de struikjes in plaats van op te vliegen. Wie hem overdag zoekt, loopt er tien keer langs. Het is bovendien de meest bedreigde steppevogel van Spanje, en Spanje herbergt vrijwel de hele wereldpopulatie.

Duponts leeuwerik (Chersophilus duponti)
Foto: Christoph Moning — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het enige praktische kenmerk. De zang is een kort, weemoedig en nasaal fluitmotief van een seconde of twee, meestal een paar zachte inleidende tonen gevolgd door een gerekt, omhoogglijdend en licht jengelend slot: tsjuu-tsjuu-tsjurrieee. Het klinkt eenzaam en een tikje klaaglijk en draagt over kale vlaktes verrassend ver. De Spaanse naam ricotí is een nabootsing van dat motief. Hij zingt vanaf de grond tussen de struikjes, waar hij onzichtbaar blijft, en daarnaast in een hoge nachtelijke zangvlucht. Het venster is smal: vanaf ongeveer een uur voor zonsopgang tot kort daarna, en in mindere mate in de avondschemering, met de piek van februari tot mei. Overdag zwijgt hij vrijwel volledig.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Een leeuwerik die eerder aan een piepertje of een kleine ral doet denken dan aan een veldleeuwerik. Slank, hoog op de poten en met een opvallend rechtopstaande houding, een korte staart en een lange, dunne, duidelijk naar beneden gebogen snavel met een oranjeachtige basis — geen andere Europese leeuwerik heeft zo'n snavel. Kop met een brede, romige wenkbrauwstreep en een donkere oogstreep, wangen fijn gestreept, en géén kuif. Bovendelen zandbruin tot grijsbruin met donkere veercentra, borst crèmewit met scherpe donkere strepen die op de flanken doorlopen, buik ongestreept wit. De poten zijn lang en bleek. In vlucht — zeldzaam en meestal kort — smalle, spitse vleugels, witte buitenste staartpennen en een verrassend bleke indruk. Loopt en rent met de romp horizontaal, kop ingetrokken, en verdwijnt achter het eerste struikje.

Verwarrings­soorten

Met niets anders werkelijk te verwarren, mits je de snavel ziet. Kuifleeuwerik en theklaleeuwerik zijn korter van poot, hebben een kuif en een korte, rechte tot bolle snavel, en lopen open en weg in plaats van zich te verstoppen. Veldleeuwerik heeft een korte kuif, een witte achterrand aan de vleugel en een veel kortere, kegelvormige snavel. Kortteenleeuwerik is kleiner, met een dikke, zaadetende snavel en een donkere halsvlek. Duinpieper is slanker, ongestreept op de borst en heeft een dunne piepersnavel zonder kromming. Het gedrag is minstens zo kenmerkend als het verenkleed: een leeuwerik die in de steppe rennend tussen de struikjes wegduikt en pas na lang wachten weer bovenop een pol verschijnt, is vrijwel altijd deze soort.

Leefgebied

Vlakke tot flauw hellende struikjessteppe: een lage, open struiklaag van twintig tot vijftig centimeter — tijm, brem, alsem, zoutplanten — met veel kale grond ertussen, op gips-, kalk- en mergelbodem. In Spanje vooral op de koude, winderige hoogvlaktes tussen negenhonderd en dertienhonderd meter, en in de zoutsteppe van het Ebrodal. In Noord-Afrika in vergelijkbare halfwoestijn met alsem en zoutstruiken, en in het oosten in zandige woestijnsteppe. Struweel dat hoger wordt dan een halve meter of dat dicht sluit, is voor hem waardeloos, en geploegde grond ook: hij heeft de kale gangen tussen de struikjes nodig om te rennen en te foerageren.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Spanje en Noord-Afrika, van Marokko oostwaarts door Algerije, Tunesië en Libië tot in de westelijke woestijn van Egypte; het hele areaal van de soort ligt binnen het gebied van deze gids. In Spanje zit het zwaartepunt in de páramos van Soria, Zaragoza en Guadalajara, met verder kernen in Teruel, Burgos, Valladolid, Navarra, Albacete, Murcia en Almería. Het is een standvogel; alleen op de hoogste en koudste vlaktes zakken vogels in de winter naar lager gelegen steppe. In Portugal is hij als broedvogel verdwenen, en buiten het broedgebied wordt hij vrijwel nooit gezien.

  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2024-08-01 – 2026-07-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Sta in het donker op. Rijd naar een páramo met laag struweel, parkeer bij een veldweg, blijf op die weg staan en wacht in het laatste uur voor zonsopgang. Je zoekt eerst met je oren: het korte, jengelende slotmotief draagt honderden meters ver over de vlakte. Pas als het licht wordt maak je kans om een silhouet op een struikje te zien, meestal een paar seconden lang. Blijf op de paden, loop de vegetatie niet in en gebruik geen geluid: dit is een kwetsbare soort met kleine, geïsoleerde populaties, en verstoring in het broedseizoen is er niet bij. Februari tot mei is de beste tijd, windstil weer een voorwaarde.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar (VU) op de Rode Lijst van de IUCN, en op nationale schaal nog een graad strenger beoordeeld. De laatste landelijke telling in Spanje kwam uit op ruwweg drieduizend zingende mannetjes, verdeeld over ruim tweehonderd kleine, van elkaar losgeraakte kernen waarvan een groot deel minder dan tien mannetjes telt; het aantal loopt met enkele procenten per jaar terug en kernen die te klein worden, vallen weg. De oorzaken zijn allemaal ruimtelijk: het omploegen en herbebossen van struikjessteppe, wind- en zonneparken met hun wegen en leidingen op precies dezelfde vlakke, 'lege' terreinen, nieuwe akkerwegen en zandwinning, en het dichtgroeien van steppe waar de extensieve schapenbeweiding is gestopt. Behoud vraagt grote, aaneengesloten vlaktes met laag struweel, voortgezette extensieve beweiding en het weren van infrastructuur uit de resterende kernen.