Alle soortenZangvogelsKraaiachtigen › Kleine raaf

Kleine raaf | Corvus mellori

Little Raven | Cuervo de mellor

De kleine raaf is de gezelligste van de Australische kraaiachtigen: waar de australische raaf in paren zijn territorium bewaakt, trekt deze soort in troepen van tientallen tot honderden vogels over open land. Hij is nauwelijks kleiner dan zijn buurman en even zwart, en de enige zekere kenmerken zijn de stem en de korte vleugelklap waarmee hij elke roepnoot begeleidt.

Kleine raaf (Corvus mellori)
Foto: Ed Dunens — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is guttoraal en vlak: kar-kar-kar-karrr of ark-ark-ark-arrk, meestal drie tot vijf noten, dieper en zakelijker dan bij de australische raaf en zonder diens lange wegstervende jammer. Bij elke noot klapt de vogel beide vleugels kort omhoog, een beweging die op afstand door de kijker heen goed te zien is. In een foeragerende troep loopt het geroep aanhoudend door elkaar.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een geheel zwarte vogel van ongeveer een halve meter met een witte iris, zwarte poten en een snavel die iets korter en minder zwaar is dan die van de australische raaf. De keelveren zijn tamelijk lang maar bollen bij het roepen niet op tot een baard; onder de keel zit hoogstens een kleine bult. De poten zijn dicht bevederd tot laag toe. De veerbases zijn grijs. Jonge vogels hebben een bruin oog dat via hazelbruin naar wit verkleurt.

Verwarrings­soorten

De australische raaf (Corvus coronoides) is het echte probleem: die is gemiddeld groter en zwaarder van snavel, laat de keelveren bij het roepen als een zak opbollen en houdt de laatste noot lang aan tot ze wegsterft, terwijl hij de vleugels juist niet bij elke noot opklapt. De australische kraai (Corvus orru) roept staccato oek-oek-oek, heeft witte veerbases en schudt na de landing met de vleugels. Corvus tasmanicus van het zuidoostelijke bos is forser met een kortere staart. Grootte alleen beslist nooit.

Leefgebied

Open land is zijn element: ingezaaide weide en beweid rangeland, graanakker en boomgaard, saltbush- en bluebushvlakte en boomloze vlakte, tot aan de kust en de rand van de voorstad toe. Hij broedt in losse groepjes in de weinige bomen die er staan en slaapt gezamenlijk in droog open woodland. In de zomer, van december tot februari, trekken troepen naar de alpiene kruidenvelden van de Australische Alpen, waar de bogongmot in het steenpuin overzomert.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Zuidoostelijk Australië: zuidelijk Zuid-Australië, Victoria, Nieuw-Zuid-Wales voornamelijk in en ten westen van de Great Dividing Range, plus Kangaroo Island en King Island in Straat Bass. In West-Gippsland ontbreekt hij. Buiten de broedtijd is hij uitgesproken zwervend: troepen leggen grote afstanden af achter het voedsel aan, zodat een streek de ene maand vol raven zit en de volgende leeg is.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Tel eerst. Een troep van dertig of meer zwarte kraaiachtigen op een kaal weiland is in het zuidoosten vrijwel altijd deze soort; paren op vaste territoria in bebost land zijn dat vrijwel nooit. Ga vervolgens op de vleugels letten: de korte opwaartse klap bij elke noot is het kenmerk dat het snelst te leren is en dat ook op tweehonderd meter nog werkt. Luister ten slotte of de laatste noot afgekapt wordt of wegsterft.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). De soort heeft duidelijk geprofiteerd van de ontginning van het zuidoosten: het openkappen van bos en de omzetting in weide en akker hebben haar leefgebied vergroot ten koste van de meer bosgebonden verwanten, en de aantallen zijn in de twintigste eeuw toegenomen. Plaatselijke vervolging rond schapenbedrijven en verliezen door lokaas voor vossenbestrijding hebben op de landelijke stand geen zichtbaar effect.

Wetenschappelijke naam

Corvus mellori | Mathews, 1912

Mathews beschreef de vogel in 1912 als Corvus mellori, en in dat geslacht staat hij nog steeds, zodat auteur en jaartal zonder haakjes blijven. Corvus is het Latijnse woord voor raaf. Het epitheton mellori eert de Zuid-Australische ornitholoog en verzamelaar John White Mellor (1868–1931), een van de tijdgenoten naar wie Mathews meer Australische vogels heeft vernoemd.