Alle soorten › Genten en aalscholvers › Aalscholvers › Aalscholver

Aalscholver | Phalacrocorax carbo

Great Cormorant | Cormorán grande

De aalscholver komt in Noord-Amerika voor als de ondersoort Phalacrocorax carbo carbo, dezelfde die ook de rotskusten van West-Europa bevolkt. Hij is de grootste en zwaarste aalscholver van het continent, met een dikke hals, een blokvormige kop en een zware haakssnavel. Pas in de twintigste eeuw kreeg hij vaste voet aan de grond langs de noordoostkust, en sindsdien is hij van een schaarse broedvogel uitgegroeid tot een steeds algemener geziene verschijning.

Aalscholver (Phalacrocorax carbo)
Foto: Syrio — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Nestelende paren zijn luidruchtig, met een reeks lage, gorgelende en grommende geluiden aan het nest en tijdens de balts; net als andere aalscholvers is de soort buiten de kolonie vrijwel stil. Op de vaak drukke Canadese en Newfoundlandse kolonies vormt dit rumoer, gemengd met de geluiden van andere zeevogels, een constant achtergrondgeluid.

Luister: RoepXC1152641

Opname: Sunny Tseng — CC BY-NC-SA 4.0 · Juodkrantės (cormorant colony), Lithuania · xeno-canto

Herkenning

Volwassen vogels zijn zwart met een brons- tot groenglanzende rug, een witte keelvlek en geelachtige kale huid aan de snavelbasis. In broedkleed komen daar een witte dijvlek en verspreide witte sierveertjes op kop en hals bij. Juveniele vogels zijn bruiner, met een lichte keel en een witte buik die scherp afsteekt tegen de donkerdere borst en kop — een verschil dat bij het jong van de dubbelkuifaalscholver ontbreekt. De zware bouw en dikke hals onderscheiden de soort ook op afstand van de andere Noord-Amerikaanse aalscholvers.

Verwarrings­soorten

De veel talrijkere dubbelkuifaalscholver is kleiner en slanker, met een oranjegele in plaats van witte keelvlek en zonder de witte dijvlek van het broedkleed. Het jong van de dubbelkuifaalscholver is bovendien egaal vaalbruin, terwijl het jong van de aalscholver een duidelijk wittere buik heeft. Waar beide soorten samen voorkomen — vooral 's winters langs de noordoostkust — is de fors zwaardere bouw van de aalscholver vaak al op afstand te zien.

Leefgebied

Hij broedt op rotsige koppen en eilanden langs de kust, bij voorkeur op onbegroeide klippen met vrij uitzicht over zee. Buiten het broedseizoen gebruikt hij ook havenhoofden, golfbrekers en, de laatste decennia in toenemende mate, grote rivieren als de Hudson en de Delaware. Anders dan elders in zijn wereldwijde areaal, waar hij ook op zoetwatermeren en rivieren broedt, blijft de Noord-Amerikaanse populatie sterk aan de kust gebonden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Tot diep in de twintigste eeuw was de aalscholver een schaarse, plaatselijke broedvogel van de noordelijke oevers van de Golf van Sint-Laurens en Newfoundland. Sindsdien is de populatie sterk gegroeid en heeft het broedareaal zich uitgebreid tot in Nova Scotia en, de laatste decennia, tot in Maine. 's Winters trekken de vogels zuidwaarts langs de kust tot in het noorden van Florida, met groeiende aantallen die overwinteren op grote rivieren landinwaarts.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek de soort 's winters langs rotsige kuststroken en havenhoofden van New England en de Midden-Atlantische staten, vaak tussen groepen dubbelkuifaalscholvers; de veel zwaardere bouw en de witte keelvlek vallen dan al op afstand op. In de broedkolonies van de Golf van Sint-Laurens is hij te herkennen aan de witte dijvlekken van het broedkleed.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (LC); de Noord-Amerikaanse populatie is de afgelopen decennia sterk toegenomen en heeft zijn areaal uitgebreid, na eerder op veel plekken door vervolging te zijn teruggedrongen. Net als elders wordt de soort in visserijkringen soms als concurrent gezien, wat plaatselijk tot verstoring van kolonies leidt.

Wetenschappelijke naam

Phalacrocorax carbo | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Pelecanus Carbo; de typelocatie was aanvankelijk 'Europa', in 1920 door Hartert beperkt tot de rotsbroedende vorm van de noordelijke Atlantische Oceaan. Het geslacht Phalacrocorax werd in 1760 ingesteld door Brisson — Grieks voor 'kale raaf', naar de kale huid rond de snavel. carbo is Latijn voor 'houtskool', naar de geheel zwarte kleur. De Noord-Amerikaanse vogels behoren tot dezelfde ondersoort als de rotsbroeders van West-Europa.