Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Amerikaanse dwergstern
Amerikaanse dwergstern | Sternula antillarum
Least Tern | Charrancito americano
De Amerikaanse dwergstern is de kleinste stern van het werelddeel: nauwelijks groter dan een spreeuw, met een gele snavel, een wit voorhoofd in een zwarte kap en een gehaaste, hoekige vlucht. Hij broedt op kaal zand, precies daar waar mensen graag liggen, en is daardoor een van de best bewaakte vogels van de Amerikaanse kust geworden.
Geluid
Boven de kolonie klinkt een hoog, scherp en aanhoudend kip kip kip, dat bij opwinding versnelt tot een ratelend ki-di-diek. Jagende vogels laten een raspend zriep horen, vaak vlak voordat ze zich laten vallen. Wie te dicht bij een broedplaats komt wordt uitgejouwd door tientallen vogels tegelijk: een schel, metalig koor dat over het hele strand te horen is. De stem is hoger en dunner dan die van alle andere sterns van het gebied, en verraadt hem meestal voordat je hem ziet.
Opname: Paul Driver — CC BY-NC-SA 4.0 · Brigantine National Wildlife Refuge, NJ, United States · xeno-canto
Herkenning
In broedkleed lichtgrijs boven en wit onder, met een zwarte kap waarin een scherpe witte driehoek tot boven het oog reikt, een gele snavel met een zwart puntje en gele poten. De twee buitenste handpennen zijn zwart en vormen in vlucht een smalle donkere voorrand aan de vleugelpunt — het beste kenmerk op afstand. In winterkleed verdonkert de snavel, wordt de kruin grauw gevlekt en loopt het wit van het voorhoofd ver naar achteren. Jonge vogels lijken daarop, maar hebben een schubbig getekende rug en een donkere vlek achter het oog. Man en vrouw zijn gelijk. De vlucht is snel en stijf met diepe slagen; hij bidt vaak twee of drie keer boven dezelfde plek voor hij duikt.
Verwarringssoorten
Alle andere sterns van het gebied zijn duidelijk groter: de visdief (Sterna hirundo) is bijna anderhalf keer zo lang, heeft een rode snavel met zwarte punt en een geheel zwarte kap zonder wit voorhoofd. Forsters stern (Sterna forsteri) is eveneens veel groter en heeft in winterkleed een scherp afgetekend zwart oogmasker op een verder witte kop. Op afstand is een verre kleine stern in winterkleed niet altijd op het kleed te determineren; let dan op de gele poten, de snelle, ondiepe vleugelslag en het geringe formaat ten opzichte van meelopende plevieren. In Europa neemt de dwergstern (Sternula albifrons) zijn plaats in; die is vrijwel gelijk gebouwd maar heeft een langere witte voorhoofdwig en een minder piepende roep.
Sterns vergelijken: snavel, poten, kop en staart naast elkaar
Leefgebied
Kaal of schaars begroeid zand en schelpengruis: buitenstranden en jonge duinen aan de kust, drooggevallen zandbanken en platen in de grote binnenrivieren, en de kale rand van lagunes en zoutpannen. Hij mijdt alles wat hoog of dicht begroeid is; een kolonie verdwijnt zodra er struiken opkomen of het zand vastgroeit. Waar natuurlijk kaal terrein op is, wijkt hij uit naar wat de mens maakt: grindbedekte platte daken in het zuidoosten, opgespoten baggerland, parkeerterreinen en vliegvelden. Vissen doet hij in ondiep water dicht bij de kolonie — in de branding, in kreken en in het estuarium, zelden ver uit de kust.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Hij broedt in drie gescheiden gebieden: langs de Atlantische en de Golfkust van Maine tot Texas, langs de grote binnenrivieren — Missouri, Mississippi, Arkansas, Red en Rio Grande — en aan de Grote Oceaan van Centraal-Californië tot in Neder-Californië. Ook op de Bahama's en de Grote Antillen liggen kolonies. In het najaar verlaat hij Noord-Amerika volledig; hij overwintert langs de kusten van Midden-Amerika en Zuid-Amerika tot in noordelijk Brazilië, en dat winterareaal is nog altijd slecht in kaart gebracht. De rivierpopulatie verloor in de twintigste eeuw het grootste deel van haar zandbanken aan stuwdammen en kanalisatie en is nu samengedrongen op de weinige platen die nog droogvallen.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem van mei tot augustus vanaf een strandovergang of een pier: hij vist vlak in de branding en roept vrijwel onafgebroken. Blijf buiten de afgezette stukken strand — de eieren liggen in een kuiltje los in het zand en zijn onzichtbaar tot je erop staat. Boven een grote rivier loont het in juni de zandbanken met de telescoop af te zoeken; de vogels staan er in kleine groepjes op het kale zand, met de kop in de wind.
Staat van instandhouding
De wereldpopulatie wordt geschat op ongeveer 120.000 vogels, waarvan ruim de helft in de Verenigde Staten en Canada; op de Rode Lijst staat hij als niet bedreigd (LC). Toch nam hij tussen 1966 en 2023 met ongeveer 2,6 procent per jaar af — samen bijna tachtig procent — en geldt hij als soort op een kantelpunt. De binnenlandse rivierpopulatie stond van 1985 tot 2021 als bedreigd op de Amerikaanse lijst en groeide onder bescherming van minder dan tweeduizend tot ruim achttienduizend vogels; de Californische populatie is nog altijd federaal bedreigd. Het broeden op het strand blijft het knelpunt: recreatie, loslopende honden, stormvloed, oprukkende bebouwing en een stijgende zeespiegel.
Wetenschappelijke naam
Sternula antillarum | Lesson, 1847
Lesson beschreef de soort in 1847 als Sternula antillarum; auteur en jaartal staan zonder haakjes, want de soort staat nog altijd in het geslacht waarin ze is beschreven. Sternula is een verkleinvorm van Sterna, het klassieke woord voor stern, en past bij de kleinste soort van de familie. antillarum betekent 'van de Antillen'. Het beschreven exemplaar kwam van Guadeloupe in West-Indië — een eiland aan de rand van het areaal, ver van de rivieren en stranden waar de soort vandaag het talrijkst is.




