Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Reuzenstern
Reuzenstern | Hydroprogne caspia
Caspian Tern | Pagaza piquirroja
De reuzenstern is de grootste stern ter wereld, zo groot als een Amerikaanse zilvermeeuw, met een zware wortelrode dolksnavel die van ver oplicht. Hij broedt verspreid over vijf werelddelen, en in Noord-Amerika evengoed op een kaal eilandje in een prairiemeer als op een opgespoten plaat in een riviermonding.
Geluid
De roep is een diep, hees en ver dragend kraah, meer het gekras van een reiger dan het schelle geroep van een stern; twee of drie vogels boven een kolonie klinken al als een ruzie. In alarm gaat het over in een korte, rauwe reeks ra-ra-ra. Jonge vogels bedelen met een dun, klagend wie-joe dat opvalt naast het gekras van de ouders. Dat bedelen houdt maanden aan: ook in de winter, honderden kilometers van de broedplaats, volgt een jonge vogel zijn ouder nog roepend over het water.
Opname: Julien Bottinelli — CC BY-NC-SA 4.0 · Mouroux, Seine-et-Marne, Île-de-France, France · xeno-canto
Herkenning
Een forse, breedvleugelige stern ter grootte van een grote meeuw, wit met lichtgrijze bovenvleugels en een dikke, felrode snavel met meestal een donker puntje. In broedkleed is de kruin gitzwart tot onder het oog; buiten het broedseizoen blijft de kap donker maar wordt hij wit gestreept — hij wordt, anders dan bij de meeste sterns, nooit echt wit. Van onderen zijn de buitenste handpennen donkergrijs, een kenmerk dat ook bij tegenlicht standhoudt. De poten zijn zwart, de staart kort en maar ondiep gevorkt. De vlucht is krachtig en meeuwachtig, met trage slagen; hij vist met een zware duik van tien tot dertig meter hoogte en draagt de vis dwars in de snavel.
Verwarringssoorten
De koningsstern (Thalasseus maximus) is de belangrijkste verwarringssoort: slanker, met een dunnere oranje snavel zonder donkere punt, een dieper gevorkte staart, lichte ondervleugelpunten en vrijwel het hele jaar een wit voorhoofd met een ruige zwarte kuif in de nek. De sierlijke stern (Thalasseus elegans) van de westkust is nog slanker en heeft een lange, licht neerwaarts gebogen oranje snavel. Op grote afstand wordt een reuzenstern soms voor een meeuw aangezien; de rechte, in de nek getrokken snavel en de naar beneden gerichte kop tijdens het speuren geven dan de doorslag. Jonge reuzensterns zijn grauw geschubd op de rug, maar hebben van meet af aan de volle rode snavel.
Sterns vergelijken: snavel, poten, kop en staart naast elkaar
Leefgebied
Grote wateren met een kaal, laag eilandje om op te broeden: riviermondingen, lagunes, zoutpannen en barrière-eilanden aan de kust, en in het binnenland grote meren, stuwmeren en de brede rivieren. Als nestplaats voldoet vooral opgespoten baggerland — kale zand- en schelpeneilanden waar geen vos of wasbeer komt. Vissen doet hij in ondiep, helder water, ook in havens en boven visvijvers. Ver op zee komt hij zelden; hij blijft binnen zicht van de kust of boven zoet water.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
In Noord-Amerika liggen de kolonies verspreid: aan de Grote Meren, op de prairiemeren van Alberta tot Manitoba, aan het Grote Slavenmeer, op het Grote Zoutmeer, in de riviermondingen van de Stille Noordwestkust en langs de Golf- en Atlantische kust. Noordelijke broedvogels trekken naar de zuidelijke kusten van de Verenigde Staten, Mexico, de Caraïben en Midden-Amerika; in het uiterste zuiden van het broedareaal blijven ze het hele jaar. In de twintigste eeuw breidde hij zich sterk uit aan de Stille Noordwestkust, waar opgespoten eilanden nieuwe broedplaatsen opleverden, en sinds kort broedt hij ook in Alaska. Dezelfde soort broedt aan de Oostzee, in Afrika, in Azië en in Australië, en de vogel is daarmee een van de wijdst verspreide sterns.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in een riviermonding of boven een stuwmeer en let eerst op het formaat: een stern zo groot als een meeuw is hier vrijwel altijd deze soort. Het geluid werkt beter dan het beeld — het hese gekras draagt kilometers ver en is met niets in de familie te verwarren. Een vogel die laag over het water komt met een vis dwars in de snavel is meestal op weg naar een kolonie, en de richting waarin hij verdwijnt wijst die kolonie aan.
Staat van instandhouding
De soort is niet bedreigd (LC); de wereldpopulatie wordt geschat op ongeveer 530.000 vogels en geldt als stabiel; in Noord-Amerika gaat het om zo'n 66.000 tot 78.000 vogels. Canada rekent hem tot de kwetsbare soorten en verschillende Amerikaanse staten geven hem een beschermde status, want de kolonies zijn weinig in getal en groot, en één verstoring kost een heel broedseizoen. In de monding van de Columbia groeide de kolonie zo sterk dat de vogels naar schatting een aanzienlijk deel van de uittrekkende jonge zalm wegvingen; door de broedplaats te verkleinen en te verleggen is die kolonie doelbewust gehalveerd — een beheerprobleem waarin twee beschermde soorten tegenover elkaar staan. Verder tellen verstoring van kolonies, vervuiling en het verlies van laaggelegen broedeilanden aan de stijgende zeespiegel.
Wetenschappelijke naam
Hydroprogne caspia | (Pallas, 1770)
Pallas beschreef de soort in 1770 als Sterna caspia; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Hydroprogne is gevormd uit het Griekse hudro-, 'water', en progne, 'zwaluw' — een waterzwaluw, het beeld waarmee de sterns in het Latijn vaker worden aangeduid. caspia verwijst naar de Kaspische Zee, waar het beschreven exemplaar vandaan kwam. Dat de naam van één binnenzee komt terwijl de soort op vijf werelddelen broedt, is een van de aardiger toevalligheden in de sternnamen.




