Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Lachstern
Lachstern | Gelochelidon nilotica
Gull-billed Tern | Pagaza piconegra
De lachstern is de stern die niet duikt: hij scheert laag over kwelder en weiland en pikt krabben, sprinkhanen en hagedissen van de grond. Zijn korte, dikke, gitzwarte snavel is eerder die van een meeuw dan van een stern, en verraadt hem op elke afstand.
Geluid
De roep is een raspend, tweelettergrepig kè-wik, dat wel met het geluid van een sabelsprinkhaan is vergeleken en waaraan hij in het Engels zijn oude bijnaam dankt. Boven de kolonie gaat het over in een lachende, hese reeks kek-kek-kek — daaraan ontleent hij zijn Nederlandse naam. Jonge vogels bedelen met een hoog, aanhoudend gepiep dat scherp afsteekt tegen het lage gerasp van de ouders. Buiten de kolonie is hij vaak zwijgzaam, en dan is de vlucht het eerste dat opvalt.
Opname: Walter Wallner — CC BY-NC-SA 4.0 · Etoloakarnania, Western Greece, Decentralized Administration of Peloponnese, Western Greece and the Ionian, Greece · xeno-canto
Herkenning
Een bleke, stevig gebouwde stern met brede vleugels, een korte, ondiep gevorkte staart en lange zwarte poten. De snavel is kort, dik en geheel zwart — het kenmerk waaraan hij het hele jaar door te herkennen is. In broedkleed draagt hij een gladde zwarte kap; in winterkleed is de kop wit met alleen een donkere vlek achter en om het oog, wat hem een kaal gezicht geeft. De bovendelen zijn lichtgrijs, lichter dan bij de meeste sterns, en de vleugelpunten blijven licht in plaats van donker af te steken. In rust steken de vleugelpunten voorbij de staart; in vlucht oogt hij traag en meeuwachtig, met een kenmerkende zwenkende duikbeweging naar de grond.
Verwarringssoorten
De grote stern (Thalasseus sandvicensis) heeft een langere, dunnere zwarte snavel met een gele punt, een ruige kuif en een dieper gevorkte staart. De visdief (Sterna hirundo) en Forsters stern (Sterna forsteri) zijn slanker, hebben een oranje of rode snavel, langere staartpennen en storten zich wél in het water. Verwarrend is vooral Forsters stern in winterkleed, die net als de lachstern een zwarte oogvlek op een witte kop heeft; de dikke zwarte snavel en de kortere staart brengen dan uitsluitsel. Ook zonder zicht op de kenmerken helpt het gedrag: een stern die laag boven een weiland of een droogvallende kwelder jaagt en niet duikt, is vrijwel zeker deze soort.
Sterns vergelijken: snavel, poten, kop en staart naast elkaar
Leefgebied
Broeden doet hij op kaal zand en schelpen: kwelderranden, barrière-eilanden, opgespoten baggerland en de dijken van zoutpannen, vaak tussen kolonies van andere sterns. Jagen doet hij ergens anders — boven zoutmoeras bij laag water, boven weiland, akkerland, drooggevallen modder en zelfs boven droge ruigte, tot kilometers van het nest. Aan de Salton Sea in Californië broedt hij ver landinwaarts, wat voor deze soort in Noord-Amerika uitzonderlijk is. Diep water en open zee mijdt hij; hij heeft een rand nodig waar prooi over de grond loopt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
In Noord-Amerika broedt hij langs de Atlantische kust van Virginia zuidwaarts, langs de hele Golfkust tot Texas, en aan beide kusten van Mexico; een aparte, kleine populatie zit in Zuid-Californië en Neder-Californië, waar hij zich sinds de jaren twintig van de vorige eeuw vestigde en in de jaren tachtig San Diego Bay bereikte. In de Grote Antillen en op de Bahama's is hij het hele jaar aanwezig. Noordelijke vogels trekken in de winter naar Midden-Amerika en de noordkust van Zuid-Amerika; aan de Golfkust en in Florida blijft een deel. Dezelfde soort broedt in Europa, Afrika, Azië en Australië, telkens in kleine, verspreide kolonies.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Kijk bij laag water over een zoutmoeras en let op de jachtwijze: een bleke stern die zwenkend laag over de slikrand vliegt en telkens even naar beneden pikt zonder het water in te gaan, is deze. Hij pakt daar vooral wenkkrabben. Achter de kust loont het ook een pas gemaaid weiland of een geploegde akker af te zoeken — een stern boven het land is hier bijna altijd een lachstern.
Staat van instandhouding
Wereldwijd geldt hij als niet bedreigd (LC), met naar schatting 190.000 vogels, maar in Noord-Amerika is hij schaars: een telling uit 2002 kwam op zes- tot achtduizend broedvogels op het hele werelddeel. De Noord-Amerikaanse trend lijkt over lange termijn stabiel, al is die schatting onnauwkeurig omdat de kolonies klein zijn en verspringen. Verstoring door boten en strandrecreatie is de belangrijkste oorzaak van mislukte broedsels, daarnaast verlies van kwelder en wisselende waterstanden. Daarbij rooft hij zelf kuikens van Amerikaanse dwergsterns en plevieren, zodat beschermers van drie zeldzame soorten elkaar in de weg kunnen zitten.
Wetenschappelijke naam
Gelochelidon nilotica | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Sterna nilotica; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Gelochelidon is gevormd uit het Griekse gelan, 'lachen', en khelidon, 'zwaluw' — de lachende zwaluw, naar dezelfde roep die hem in het Nederlands zijn naam gaf. nilotica betekent 'van de Nijl'. Het beschreven exemplaar kwam dan ook uit Egypte, waar de soort langs de rivier en de deltameren broedt.




