Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Amerikaanse grijze ruiter

Amerikaanse grijze ruiter | Tringa incana

Wandering Tattler | Playero Vagabundo

De Amerikaanse grijze ruiter is een egaal leigrijze steltloper van rotskusten waar de branding overheen slaat, en op die natte, donkere stenen valt hij pas op als hij beweegt. Broeden doet hij op een andere plek: op de grindbanken van heldere bergbeken in de toendra van Alaska en Yukon, soms honderden kilometers van zee. Het achterlijf wipt onophoudelijk op en neer, en bij het opvliegen komt een heldere, rimpelende reeks fluittonen op één toonhoogte.

Amerikaanse grijze ruiter (Tringa incana)
Foto: Polinova — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het kenmerkende geluid is een rimpelende reeks van zes tot tien heldere fluittonen op ongeveer dezelfde toonhoogte, pjoe-pjoe-pjoe-pjoe-pjoe, die naar het eind licht versnelt en over het geluid van de branding heen draagt. Hij geeft die reeks vrijwel altijd bij het opvliegen, wat maakt dat een vogel op de rotsen zich eerder laat horen dan zien. In het broedgebied klinkt boven de beekdalen een langgerekte, trillende versie van dezelfde reeks, gebracht in een trage baltsvlucht met stijve vleugelslag. Bij onrust op de nestplaats wordt het een kort, hard kliep.

Luister: RoepXC761968

Opname: Logan McLeod — CC BY-NC-SA 4.0 · Stikine Region (near Bear Camp), Stikine Region, British Columbia, Canada · xeno-canto

Herkenning

Van boven is de vogel geheel egaal leigrijs, zonder tekening, zonder vleugelstreep en zonder witte stuit — een steltloper die er in de vlucht van boven volkomen effen uitziet. In zomerkleed is de onderzijde wit met dichte, grove grijze dwarsbanden die doorlopen van de keel tot en met de onderstaartdekveren. In winterkleed en bij jonge vogels verdwijnt die bandering en blijft een grijze waas over borst en flanken staan, met een witte buik. Boven het oog loopt een korte, vage lichte streep die nauwelijks voorbij het oog reikt, en het oog zelf staat in een donkere teugel. De snavel is recht, donker en ongeveer zo lang als de kop; de poten zijn kort en helder geel. Mannetje en vrouwtje zijn niet te onderscheiden; de vogel wipt aan één stuk door met het achterlijf, ook terwijl hij loopt.

Verwarrings­soorten

De Siberische grijze ruiter (Tringa brevipes), die in westelijk Alaska als dwaalgast verschijnt, is de enige soort die er sterk op lijkt. In zomerkleed heeft die alleen banden op borst en flanken, met een wit, ongebandeerd buikje en witte onderstaartdekveren, terwijl bij de Amerikaanse grijze ruiter de bandering tot onder de staart doorloopt. De Siberische heeft bovendien een langere, duidelijk witte wenkbrauwstreep die ver achter het oog reikt en vaak over het voorhoofd samenkomt, en hij is in winterkleed lichter en schoner grijs met een witter gezicht. Het zekerste kenmerk is de stem: de Siberische geeft een opstijgend fluitje van twee noten, toe-wiet, de Amerikaanse de rimpelende reeks van zes tot tien noten op één hoogte. De brandingloper heeft een korte, dikke snavel met een gele basis en een witte staartwortel met zwarte eindband, en de zwarte steenloper is korter, bonter en toont in de vlucht veel wit.

Strandlopers, ruiters en snippen vergelijken: snavel, poten, vleugelstreep en stuit

Leefgebied

Buiten de broedtijd is hij gebonden aan harde, natte kusten: rotsplaten die door de branding worden overspoeld, wierbedekte richels, riffen, pieren, havenhoofden en golfbrekers, waar hij tussen de zeepokken en het wier naar kreeftjes en wormen zoekt. Zandstranden en slikplaten laat hij vrijwel altijd links liggen; alleen bij hoogwater staat hij weleens op een aangrenzende steiger. In het broedgebied kiest hij grind- en kiezelbanken langs snelstromende, heldere bergbeken boven de boomgrens, met open toendra en steenpuin eromheen. Het nest ligt op het grind, soms enkele kilometers van het water waarboven hij zijn baltsvlucht uitvoert.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedvogel van de bergtoendra van Tsjoekotka in noordoostelijk Siberië door het grootste deel van Alaska, Yukon, het noordwesten van Brits-Columbia en de Mackenzie Mountains in de Northwest Territories. De trek verloopt smal langs de Pacifische kust, met weinig vogels tegelijk en zelden iets in het binnenland. Overwinterd wordt op rotskusten van centraal Californië zuidwaarts langs Mexico en Midden-Amerika tot Ecuador en Peru, en verder over de hele Grote Oceaan: Hawaï, Micronesië, Melanesië, Polynesië en tot in Australië, waarbij sommige vogels meer dan tienduizend kilometer afleggen. Op Hawaï is hij een gewone wintergast op elk rif; op het vasteland blijft hij overal een vogel van enkelingen.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Loop in augustus of september bij opkomend water een havenhoofd, een golfbreker of een rotsplaat langs de Pacifische kust af en kijk naar de waterlijn: een effen grijze steltloper op donker nat gesteente wordt pas zichtbaar als hij wipt of wegloopt. Verstoor hem niet te vroeg, maar onthoud het geluid — de rimpelende reeks bij het opvliegen is vaak de beste vondst van de ochtend. Op Hawaï staat hij van september tot april op vrijwel elk rif, en soms zelfs op een gazon bij de kust.

Staat van instandhouding

Op de Rode Lijst staat de soort als niet bedreigd (LC), maar de schattingen van het aantal zijn laag: Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) komt op ongeveer achttienduizend broedvogels wereldwijd en rekent hem tot de soorten met een verlies van meer dan de helft in vijftig jaar. Het broedgebied is dun bezet en moeilijk bereikbaar, waardoor de cijfers onzeker blijven. Op de toendra is de opkomst van struikgewas langs de beekdalen een risico, en op de overwinteringsplaatsen zijn dat bebouwing, verstoring en het verdwijnen van rotskust onder zeespiegelstijging en kustverdediging. Omdat een groot deel van de vogels op eilanden in de Grote Oceaan overwintert, telt daar de staat van riffen en kustplaten zwaar mee.

Wetenschappelijke naam

Tringa incana | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Scolopax incana, bij de snippen; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. incana is Latijn voor 'grijs' of 'grauw', naar het egale leigrijs van de bovenzijde. De typelocatie ligt ver van het broedgebied: Eimeo, het huidige Moorea in de Genootschapseilanden, en de Palmerston-eilanden, waar de vogels tijdens de reizen van Cook in de winter werden verzameld. Lange tijd stond de soort in het geslacht Heteroscelus; tegenwoordig staat ze samen met de andere ruiters in Tringa.