Alle soorten › Steltloperachtigen › Scholeksters › Amerikaanse scholekster

Amerikaanse scholekster | Haematopus palliatus

American Oystercatcher | Ostrero americano

Een zwart-witte steltloper ter grootte van een kraai, met een oranjerode snavel als een beitel en een gele iris in een rode ring. Hij opent schelpdieren op stranden, schelpenbanken en oesterriffen en komt daardoor zelden verder dan een paar honderd meter landinwaarts. Rond 1900 was hij uit het noordoosten verdwenen; sindsdien is hij teruggekomen tot in Maine.

Amerikaanse scholekster (Haematopus palliatus)
Foto: Paul Danese — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luid, doordringend wiep dat over de branding heen draagt en meestal het eerste is wat je van de vogel merkt. Bij opwinding gaat die roep over in een versnellende reeks die uitloopt op een trillend geratel, terwijl twee of meer vogels naast elkaar over het zand stappen. Ouders waarschuwen hun kuikens met een korte, zachte toon, waarop de jongen zich plat tegen het schelpengruis drukken. In vlucht klinkt een scherper, afgebeten wik.

Luister: DuetXC1008553

Opname: Jonas Nilsson — CC BY-NC-SA 4.0 · Galapagos, Fernandina, Punta Espinosa, Ecuador · xeno-canto

Herkenning

Kop en borst zijn zwart, de rug donkerbruin, de onderdelen wit, met een kaarsrechte grens tussen zwarte borst en witte buik. De snavel is lang, recht en zijdelings afgeplat, feloranje met een lichtere punt; het oog is geel in een oranjerode ring en de poten zijn vaalroze. In vlucht vallen een brede witte vleugelstreep, een witte stuit en een zwarte staartband op. Mannetje en vrouwtje zien er gelijk uit, al is het vrouwtje iets groter en langer van snavel. Jonge vogels hebben een donkere snavelpunt en een schubbig getekende rug.

Verwarrings­soorten

De Amerikaanse zwarte scholekster (Haematopus bachmani) van de westkust is van kop tot staart donker en mist het wit in vleugel en buik; de twee raken elkaar alleen in Zuid-Californië en Neder-Californië, waar gemengde paren bonte tussenvormen opleveren. De Europese scholekster (Haematopus ostralegus), een zeldzame dwaalgast aan de oostkust, heeft een witte wig die tot op de rug doorloopt en een rode in plaats van gele iris. Verder is er op het strand niets waarmee hij te verwarren valt.

Leefgebied

Zandstranden, schelpenbanken, oesterriffen en de platen van estuaria — overal waar tweekleppigen op of vlak onder de bodem liggen. Er wordt gebroed boven de vloedlijn, op kaal zand of schelpengruis, bij voorkeur op eilandjes waar vossen en wasberen niet komen. Struweel, bos en akkerland worden gemeden; anders dan zijn Europese tegenhanger gaat hij niet het binnenland in om wormen te zoeken. In het zuiden hoort hij ook bij mangrovekusten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

De Atlantische kust van Maine tot Florida, de hele Golfkust tot Texas, aan de Pacifische zijde van de Golf van Californië tot Oaxaca, en verder de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden, Puerto Rico, in kleine aantallen Hispaniola, en Aruba en Curaçao. Ten noorden van New Jersey is hij alleen zomervogel; zuidelijker blijft hij het hele jaar. In de negentiende eeuw werd er zo hard op geschoten en zoveel geraapt dat hij tussen Virginia en Canada verdween; na de Migratory Bird Treaty Act (het Amerikaans-Canadese trekvogelverdrag) van 1918 schoof de noordgrens weer op, rond 1970 tot Massachusetts en in de jaren negentig tot Maine. Langs de kusten van Midden-Amerika is hij schaars en plaatselijk.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem bij afgaand tij aan de rand van een droogvallende schelpenbank of een oesterrif: dan verlaat hij het strand en is hij een uur of drie aan het werk. Het geluid gaat vóór het beeld uit — hoor je een schel wiep over het water, kijk dan de waterlijn af. Blijf in het voorjaar weg bij kale zandeilandjes: de eieren liggen daar open in het zand en zijn eenvoudigweg niet te zien.

Staat van instandhouding

Partners in Flight (het Noord-Amerikaanse samenwerkingsverband voor vogelbescherming) schat de wereldpopulatie op minder dan drieënveertigduizend vogels, weinig voor een vogel die twee oceaankusten bewoont. In vijftig jaar ging meer dan de helft verloren; sinds zestien staten hun beheer op elkaar afstemden, nam het aantal broedvogels daar met drieënveertig procent toe. De druk ligt op het strand zelf: recreatie, honden en voertuigen, meeuwen, wasberen en vossen die eieren en kuikens weghalen, en stormvloeden die legsels wegspoelen.

Wetenschappelijke naam

Haematopus palliatus | Temminck, 1820

Temminck beschreef de soort in 1820 als Haematopus palliatus, in hetzelfde geslacht waarin ze nog staat; daarom blijven auteur en jaartal zonder haakjes. Het geslacht Haematopus werd in 1758 door Linnaeus ingevoerd, uit het Griekse haima 'bloed' en pous 'voet', naar de rode poten. palliatus is Latijn voor 'met een mantel om', naar het donkere dek over het witte lijf. Het beschreven exemplaar kwam uit Zuid-Amerika; Brabourne en Chubb beperkten die typelocatie in 1912 tot Venezuela.