Alle soorten › Steltloperachtigen › Scholeksters › Amerikaanse zwarte scholekster
Amerikaanse zwarte scholekster | Haematopus bachmani
Black Oystercatcher | Ostrero negro
Een geheel donkere scholekster van de rotskust aan de Grote Oceaan, met een lange rode snavel, een gele iris in een oranjerode ring en vaalroze poten. Hij leeft van mosselen, zeepokken en schaalhorens die bij laagwater droogvallen, en blijft daarvoor zijn hele leven op dezelfde strook rots. De wereldpopulatie telt maar ongeveer tienduizend vogels.
Geluid
Een luid, doordringend wiep dat boven de branding uit te horen is en meestal eerder komt dan het zicht op de vogel. Bij de grensbepaling tussen buren gaat die roep over in een versnellende reeks die uitloopt op een lange triller, terwijl twee of meer vogels met gebogen kop en neergehouden snavel naast elkaar over de rotsen lopen. Die vertoning eindigt vaak in een korte achtervolging in de lucht, met de roep erbij. Bij verstoring bij het nest klinkt een kort, hard wik, dat de kuikens plat tegen het gruis doet drukken.
Opname: Barry Edmonston — CC BY-NC-SA 4.0 · Victoria, Capital, British Columbia, Canada · xeno-canto
Herkenning
Het hele verenkleed is roetzwart, op de kop en de borst het diepst, op rug en buik iets bruiner — in laag licht ziet de vogel eruit als een zwart silhouet met een rode streep erin. De snavel is lang, recht en zijdelings afgeplat, oranjerood met een lichtere punt; de iris is geel in een oranjerode oogring en de poten zijn vaalroze en zwaar. Mannetje en vrouwtje zien er gelijk uit, al is het vrouwtje iets groter en langer van snavel. Jonge vogels zijn doffer, hebben een donkere snavelpunt en een schubbig getekende rug, en houden die snavelpunt nog in hun eerste winter. In de vlucht is er geen enkel patroon: geen vleugelstreep, geen witte stuit, geen staartband, zodat de herkenning op de vorm en op de snavel berust.
Verwarringssoorten
De Amerikaanse scholekster (Haematopus palliatus) heeft een witte buik, een brede witte vleugelstreep en een witte stuit, en is daarmee ook in de vlucht meteen te scheiden. De twee raken elkaar alleen in Zuid-Californië en Neder-Californië, en juist daar leveren gemengde paren tussenvormen op waarbij het wit als onregelmatige vlekken op buik en vleugel doorbreekt — zulke vogels zijn niet op naam te brengen zonder het hele patroon te bekijken. Een zwarte kraaiachtige op de rotsen kan er op afstand voor doorgaan, maar de rechte rode snavel en de gedrongen bouw maken het verschil zodra de vogel beweegt. Verder is er op de rotskust geen steltloper van dit formaat.
Leefgebied
De rotskust in de getijdenzone: golfplateaus, blokkenstranden, kliffen met een voet die droogvalt, en vooral de eilandjes en rotspunten voor de kust, waar geen vos of wasbeer komt. Hij foerageert op de mosselbanken en de zone met zeepokken en schaalhorens die bij laagwater bloot komt te liggen, en volgt met het tij mee de zakkende waterlijn naar beneden. Het nest is een kuiltje in schelpengruis of grind, vlak boven de hoogwaterlijn op een rotsrichel of een strandje tussen de rotsen. Zandstranden, estuaria en slikplaten gebruikt hij weinig, en het binnenland niet.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Van de westelijke Aleoeten langs de kust van Alaska, Brits-Columbia, Washington, Oregon en Californië tot in het midden van het schiereiland Neder-Californië en de Coronado-eilanden. Hij blijft het hele jaar; alleen de vogels van de noordelijkste kusten schuiven wat op wanneer daar ijs komt te liggen, en verder dan enkele honderden kilometers gaan ze niet. Paren houden hun territorium jaar na jaar vast, vaak dezelfde rotspunt hun hele leven, en jonge vogels verzamelen zich ondertussen in groepjes op plekken zonder broedparen. Op de Aleoeten is hij na het verwijderen van uitgezette vossen teruggekomen op eilanden waar hij lange tijd ontbrak.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem bij laagwater op een rotspunt of een mosselbank: hij werkt dan langs de waterlijn en komt met het opkomende tij mee omhoog, tot hij boven de branding op een rots blijft staan. Het geluid gaat vóór het beeld uit — hoor je een schel wiep boven het geraas van de branding, kijk dan de rotsen af op ooghoogte van het water. Draagt een oudervogel in juni of juli een schaalhoren in de snavel weg in plaats van hem ter plekke leeg te eten, dan zit er een kuiken op de rotsen; blijf dan waar je bent.
Staat van instandhouding
De wereldpopulatie wordt op ongeveer tienduizend vogels geschat, verdeeld over een smalle strook rotskust van Alaska tot Neder-Californië; de Rode Lijst beoordeelt de soort in de gegevens van deze gids niet apart (NE). Die smalle strook is de kwetsbaarheid: alles wat de getijdenzone raakt, raakt de hele soort. Olie uit scheepvaart en ongevallen is de zwaarste bedreiging — na de ramp met de Exxon Valdez in 1989 waren zowel de vogels als hun mosselbanken jarenlang aangetast. Daarnaast spoelen legsels weg bij stormvloed, halen ingevoerde ratten en vossen op eilanden eieren en kuikens weg, en drukt de toeloop van boten en kajaks de broedvogels van de laagste richels.
Wetenschappelijke naam
Haematopus bachmani | Audubon, 1838
Audubon beschreef de soort in 1838 als Haematopus bachmani, in hetzelfde geslacht waarin ze nog staat; daarom blijven auteur en jaartal zonder haakjes. Het geslacht Haematopus werd in 1758 door Linnaeus ingevoerd, uit het Griekse haima 'bloed' en pous 'voet', naar de rode poten van de Europese soort. bachmani is een eerbetoon aan John Bachman, de predikant en natuuronderzoeker uit Charleston met wie Audubon samenwerkte. Het beschreven exemplaar kwam van de monding van de Columbia.



