Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Bartrams ruiter
Bartrams ruiter | Bartramia longicauda
Upland Sandpiper | Correlimos batitú
Bartrams ruiter hoort bij de strandlopers en snippen maar komt nooit aan het strand: hij leeft in gras, van de prairie tot een hooiland of een vliegveldberm. Op een paaltje langs de weg is hij herkenbaar — een klein duifachtig kopje met een groot donker oog op een lange dunne hals, en een lange staart die voorbij de vleugelpunten steekt. Bij de landing houdt hij zijn vleugels nog even recht omhoog, en van hoog boven het veld komt zijn lange, opklimmende fluittoon.
Geluid
De baltsroep is een van de meest doordringende geluiden van de prairie: een lang, vloeiend wjieeuw-wjieeuw dat eerst omhoog glijdt en dan langzaam wegzakt, alsof iemand ver weg naar een hond fluit. Het mannetje geeft die roep in een trage cirkelvlucht hoog boven het veld, met korte trillende vleugelslagen, en houdt dat minuten achtereen vol. Op de grond en bij het opvliegen klinkt een snel, bubbelend kwip-ip-ip-ip, vaak in een reeks. In heldere nachten in mei en augustus is dat bubbelende geluid boven steden en akkers het teken dat er trek is. Bij het nest wordt het een kort, hard kwiep.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · Lotbinière (near Notre-Dame-du-Sacré-Coeur-d'Issoudun), Chaudière-Appalaches, Québec, Canada · xeno-canto
Herkenning
De bouw is het eerste kenmerk: een klein, rond kopje met een groot donker oog en een witte oogring, op een lange dunne hals, en daarachter een gedrongen lijf met een lange staart die voorbij de vleugelpunten uitsteekt — bij een steltloper ongewoon. De snavel is kort, recht en dun, geel met een donkere punt; de poten zijn lang en okergeel. De bovenzijde is gemarmerd in goudbruin en zwart, de keel wit, en op borst en flanken staan donkere strepen die naar achteren in pijlpunten overgaan; de buik is wit. Mannetje en vrouwtje zien er hetzelfde uit, en jonge vogels verschillen alleen door strakker gerande rugveren. In de vlucht valt de smalle, spitse vleugel op, zonder vleugelstreep en met donkere handpennen die tegen de lichtere armvleugel afsteken. Vlak na de landing worden de vleugels een tel lang recht omhoog gehouden voordat ze worden opgevouwen.
Verwarringssoorten
De blonde ruiter (Calidris subruficollis) staat in dezelfde velden en heeft ook een klein kopje en gele poten, maar is duidelijk kleiner, egaal geelbruin van onder zonder pijlpunten, en toont in de vlucht een fel witte ondervleugel. De kleine geelpootruiter is even lang van poot maar heeft feller gele poten, een langere snavel, een korte staart en een witte stuit, en hij staat aan het water in plaats van in het gras. Een jonge Amerikaanse wulp in kort gras kan op afstand verwarren, maar is veel groter en heeft een lange gebogen snavel. Wie twijfelt let op de staart: alleen bij Bartrams ruiter steekt die voorbij de vleugelpunten uit.
Strandlopers, ruiters en snippen vergelijken: snavel, poten, vleugelstreep en stuit
Leefgebied
Grasland van middelhoge structuur: een mengsel van hoger gras om in te broeden en kortere, open plekken om in te lopen en te eten. Op de Great Plains is dat inheemse prairie en beweid grasland, verder oostwaarts hooiland, luchthaventerreinen, militaire oefenvelden en oude, weer begroeide dagbouwmijnen. Hij mijdt precies wat de andere leden van zijn familie zoeken: slik, oevers en open water. Te kort gemaaid land laat hij liggen, en zodra struiken opkomen verdwijnt hij ook.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedvogel van het binnenland van Alaska en Yukon, oostwaarts door de prairieprovincies tot Ontario en Quebec, en in de Verenigde Staten van Montana en Oregon door de kerngebieden op de Great Plains — Noord- en South Dakota, Nebraska, Kansas — tot in het Midwesten, met verspreide, kleine bezettingen in het noordoosten tot in Maine. Hij verlaat Noord-Amerika volledig en overwintert op de graslanden van Argentinië, Uruguay, Paraguay en zuidelijk Brazilië, buiten dit gidsgebied. Heen en terug loopt de trek voornamelijk over de Great Plains, met daarna een brede oversteek van de Golf van Mexico en Midden-Amerika. In de negentiende eeuw nam hij eerst toe toen de oostelijke bossen werden gekapt, en werd hij daarna, na de ineenstorting van de trekduif, zo zwaar bejaagd dat hij bijna verdween; na het jachtverbod herstelde hij zich op de prairie, maar in het oosten is hij nog altijd plaatselijk.
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Rijd van eind april tot juni bij zonsopgang de zandwegen door beweid grasland en scan elke paal, elke draad en elke steen: hij gaat het liefst op iets hoogs zitten en is dan van ver zichtbaar. Draai het raam open, want de lange opklimmende fluittoon uit de lucht verraadt hem vaak eerder dan het oog. In het oosten zijn de bermen van kleine vliegvelden de betrouwbaarste plek. Let bij een landende vogel op de vleugels die recht omhoog worden gehouden — geen andere steltloper van het gebied doet dat zo nadrukkelijk.
Staat van instandhouding
De soort geldt als niet bedreigd (LC), met een populatie die op ongeveer driekwart miljoen vogels wordt geschat; op de Great Plains zijn de aantallen redelijk stabiel, in het oosten van het areaal is hij sterk teruggelopen. Het verlies van inheems grasland aan akkerbouw is de kern van het probleem, samen met het vroeg en vaak maaien van hooiland, waardoor nesten en kuikens sneuvelen. Ook op de overwinteringsgraslanden van Zuid-Amerika verdwijnt het gras onder de ploeg. Beweiding met matige veedichtheid houdt het grasland juist geschikt.
Wetenschappelijke naam
Bartramia longicauda | (Bechstein, 1812)
Bechstein beschreef de soort in 1812 als Tringa longicauda, bij de ruiters; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De beschrijving verscheen in zijn Duitse bewerking van Lathams overzicht van de vogels, met niet meer dan 'Noord-Amerika' als typelocatie. longicauda is Latijn voor 'langstaartig', van longus 'lang' en cauda 'staart', naar de staart die voorbij de vleugelpunten reikt. Het geslacht Bartramia werd in 1831 ingevoerd door Lesson en is genoemd naar William Bartram, de reizende natuuronderzoeker uit Philadelphia; de Nederlandse naam volgt dat eerbetoon.



