Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Blauwgrijze noddy
Blauwgrijze noddy | Anous ceruleus
Blue-gray Noddy | Tiñosa azulada
De blauwgrijze noddy is met vijfentwintig tot achtentwintig centimeter de kleinste stern ter wereld: van kop tot staart egaal blauwgrijs, met een dun wit boogje langs de achterrand van het oog. Binnen dit gidsgebied broedt hij alleen op enkele kale rotseilanden van de Hawaïaanse keten, in spleten van oud lavagesteente.
Geluid
Bij de kolonie laat een zittende vogel een zacht, aanhoudend snorrend krrr-r-r-r horen, dat meer aan een insect dan aan een zeevogel doet denken. Vliegt een groepje op, dan gaat dat gepaard met hoge, schelle kreetjes die over stil water ver dragen. Buiten de broedplaats is hij vrijwel zwijgzaam. Van alle sterns in deze gids is zijn stem het slechtst vastgelegd; de meeste beschrijvingen komen van de nauw verwante grijze noddy (Anous albivitta) van de zuidelijke Grote Oceaan.
Opname: Eric VanderWerf — CC BY-NC-SA 3.0 · Nihoa Island, Hawaii, United States · xeno-canto
Herkenning
Alles aan hem is blauwgrijs: kop, mantel en onderdelen in een lichte parelgrijze tint, de handpennen en de voorrand van de vleugel duidelijk donkerder. De snavel is kort, dun en zwart; de poten zijn zwart met lichte, vleeskleurige zwemvliezen. Een smal wit randje om het achterste deel van het oog is het enige patroon in het verenkleed en geeft hem van dichtbij een verbaasde uitdrukking. Man en vrouw zijn gelijk; jonge vogels zijn bruiner van tint. De staart is kort en maar ondiep gevorkt, en de vlucht bestaat uit snelle, ondiepe vleugelslagen laag over het water, waarbij hij met de pootjes over het oppervlak trippelt.
Verwarringssoorten
In Noord-Amerikaanse wateren is verwarring nauwelijks mogelijk: geen andere stern van het gebied is van kop tot staart blauwgrijs. De noddy (Anous stolidus) en de witkapnoddy (Anous minutus), die op dezelfde eilanden broeden, zijn veel groter, donkerbruin tot zwart, en hebben juist een lichte kruin op een donker lichaam. De witte stern (Gygis alba) is even klein maar spierwit, met een zwarte vlek rond het oog. Op afstand doet zijn trippelende vlucht eerder aan een stormvogeltje denken dan aan een stern, maar het formaat en de egale blauwgrijze tint maken het onderscheid meteen duidelijk.
Leefgebied
Hij leeft op open, warm oceaanwater, meestal binnen enkele tientallen kilometers van zijn broedeiland, en zoekt daar het allerkleinste voedsel dat een stern kan pakken: vislarven, kleine inktvis en kreeftachtigen, die hij zwevend en dippend van het oppervlak plukt. Broeden doet hij op kale rotseilanden en klippen, in spleten en holtes van oud lavagesteente en onder overhangende blokken, waar ei en jong uit de zon liggen. Zandige atollen met lage begroeiing gebruikt hij niet: hij heeft steen nodig. Ook het diepe pelagische water ver van land, waar de bonte stern thuis is, meidt hij.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het areaal beslaat de tropische Grote Oceaan, van de Marianen en Samoa tot de Cookeilanden en Frans-Polynesië, met vijf ondersoorten over de eilandgroepen verdeeld. Binnen dit gidsgebied is hij beperkt tot Hawaï, en daar tot de Noordwestelijke Hawaïaanse Eilanden: Necker en Nihoa dragen samen verreweg de meeste vogels, met kleinere aantallen op La Perouse Pinnacle, French Frigate Shoals en Gardner Pinnacles. Op Kaʻula bij Niʻihau broedde hij vroeger; op de bewoonde hoofdeilanden ontbreekt hij. Hij trekt niet: de vogels blijven het hele jaar in de buurt van hun kolonie, en het legsel is er in elke maand van maart tot september te vinden.
- Jaarrond
Waar en wanneer kijken
De kans hem te zien is klein en hangt geheel van een boot af: alle Hawaïaanse kolonies liggen in gesloten natuurreservaat, en vanaf de bewoonde eilanden wordt hij vrijwel nooit gemeld. Wie in het noordwesten van de keten vaart, let op een kleine, lichte stern die laag en snel over het water beweegt, meestal in kleine losse groepjes. Hij duikt niet en plonst niet: dat trippelen over het oppervlak is het kenmerk waaraan je hem op afstand herkent.
Staat van instandhouding
De wereldpopulatie wordt op ongeveer honderdduizend paren geschat, waarvan er zo'n 3.600 in Hawaï broeden. Hij staat als niet bedreigd (LC) te boek, maar de Hawaïaanse aantallen zijn klein en op twee eilanden geconcentreerd, en dat maakt ze kwetsbaar voor één ongeluk. Ingevoerde ratten en katten zijn de zwaarste bedreiging waar hij aan land komt; op de Noordwestelijke Hawaïaanse Eilanden zijn die inmiddels overal verdwenen. Op Nihoa gaan eieren verloren aan de inheemse vinken die daar leven.
Wetenschappelijke naam
Anous ceruleus | (Bennett, 1840)
Frederick Debell Bennett beschreef de soort in 1840 als Sterna cerulea; omdat ze sindsdien in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Lang stond ze in het geslacht Procelsterna; sinds moleculair onderzoek uit 2016 hoort ze bij de noddy's in Anous. ceruleus is een spellingvariant van het Latijnse caeruleus, 'hemelsblauw', naar de tint van het verenkleed; Anous is Grieks voor 'onnozel', naar de tamheid waarmee noddy's zich op hun broedeilanden laten benaderen — dezelfde gedachte zit in het Engelse woord noddy. Het beschreven exemplaar kwam van Christmaseiland in de Grote Oceaan, het huidige Kiritimati in de Line-eilanden.


