Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Witkapnoddy

Witkapnoddy | Anous minutus

Black Noddy | Tiñosa menuda

De witkapnoddy is de kleinere, zwartere tegenhanger van de noddy: een slanke tropische stern met een dunne, lange snavel en een scherp begrensde witte kap op een bijna geheel zwart lichaam. In Noord-Amerika broedt hij alleen op Hawaï, waar hij noio heet en zijn nesten maakt op richels in zeegrotten en op steile kustkliffen. Hij blijft dicht bij huis: de vogels foerageren in ondiep water vlak voor de kust en slapen elke nacht bij de kolonie.

Witkapnoddy (Anous minutus)
Foto: Rubens de Camargo Vianna Filho — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een korte, droge, hoge roep, veel scherper dan het lage gekras van de noddy: een herhaald kik-kik of tik-tik. Bij de kolonie gaat dat over in een aanhoudend ratelend krrr-krrr, dat in een zeegrot door de rotswanden wordt teruggekaatst en daardoor luider klinkt dan het aantal vogels doet vermoeden. Rond het nest bedelen jongen met een dun, piepend geluid. Op zee is hij meestal stil.

Luister: RoepXC841103

Opname: Sreekar — CC BY-NC-SA 4.0 · Coral Sea, Gladstone Regional, Queensland, Australia · xeno-canto

Herkenning

Kleiner en slanker dan de noddy, met smallere vleugels, een kortere en rechter afgesneden staart en een dunne, lange, rechte snavel. Het kleed is bij de meeste populaties diep zwart tot zwartbruin, met een sneeuwwitte kap die op de nek scherp — bijna met een rand — tegen het zwart afsteekt, en met een duidelijke witte halvemaan onder het oog. De vogels van de bewoonde Hawaïaanse eilanden zijn een uitzondering: die zijn eerder donkerbruin, met een grijzende nek, een grijzere staart en oranje poten in plaats van zwarte. Man en vrouw zien er gelijk uit; jonge vogels hebben een even wit maar smaller petje en lichte zomen op de dekveren. De vlucht is lichter en wendbaarder dan die van de noddy, met snellere slagen en veel draaien vlak boven het water.

Verwarrings­soorten

De noddy (Anous stolidus) is duidelijk groter en warmer bruin, met een zwaardere snavel, een langere wigvormige staart en een kap die naar de nek toe geleidelijk in het bruin overloopt in plaats van scherp af te breken. Dat verschil in kap is op afstand het bruikbaarst; op de Hawaïaanse hoofdeilanden vervalt een deel ervan, want daar is de witkapnoddy zelf bruinachtig, en dan blijven de dunne snavel, de kortere staart en de kleinere gestalte over. Jonge bonte sterns (Onychoprion fuscatus) zijn eveneens donker maar hebben witte stippen op de rug en een diep gevorkte staart. In de Dry Tortugas, waar de soort jaarlijks als dwaalgast tussen duizenden noddy's opduikt, is juist de scherpe witte kap boven een zwart lichaam het kenmerk waar iedereen op let.

Leefgebied

Hij broedt op oceanische eilanden, waar hij richels en spleten in kustkliffen bezet, eenvoudige nesten bouwt in zeegrotten, en elders platte nesten van bladeren en guano maakt in bomen — op veel eilanden in pisonia's, op Hawaï ook in aangeplante casuarina's. Wat hij nodig heeft is een vaste, jaar na jaar herbruikbare plek buiten bereik van ratten. Voedsel zoekt hij dicht bij de kust, in ondiep water boven riffen en in de branding, waar hij vissende scholen roofvis opzoekt. Open oceaan ver van land, riviermondingen en het binnenland gebruikt hij niet.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

De soort broedt op eilanden in de tropische en subtropische Grote Oceaan, verspreid in de Caraïbische Zee en de centrale Atlantische Oceaan, en plaatselijk in het noordoosten van de Indische Oceaan. In het gidsgebied is Hawaï het enige echte bolwerk: hij broedt op alle eilanden van de keten, met de grootste aantallen op Midway en Nihoa, en in kleinere groepen langs de kliffen van de bewoonde eilanden. Hij trekt niet en blijft doorgaans binnen tachtig kilometer van zijn kolonie, ook buiten de broedtijd. Op het vasteland van Noord-Amerika is hij geen broedvogel: in de Dry Tortugas voor Florida zijn sinds 1960 in de meeste jaren één of twee vogels tussen de noddy's gevonden, zonder dat er ooit nesten zijn vastgesteld.

HawaïNiihauKauaiOahuLanaiMolokaiKahoolaweMauiHawaii
  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
Kaartje van de archipel zelf: op de kaart van Noord-Amerika zou deze vogel een stipje linksonder zijn, en juist bij eilandsoorten gaat het om de vraag op wélke eilanden hij zit. De eilanden waar hij ontbreekt staan er grijs bij. Per eiland gemeten aan de waarnemingen van GBIF: het aantal waarnemingen van de soort gedeeld door alle vogelwaarnemingen daar, per seizoen, net als op de gewone kaart. Op Niihau en Kahoolawe wordt zo weinig gekeken dat de meting daar zwijgt en de standaardwerken het zeggen. Eilandcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Op Hawaï komt hij tot vlak onder de kust: kijk vanaf een kaap of vanaf de rotsen langs een steile kustweg naar de kleine donkere sterns die laag over de branding heen en weer draaien, en let op de witte pet. Vroeg in de ochtend en tegen de avond passeren de vogels tussen slaapplaats en visgrond. In de Dry Tortugas moet je Bush Key afzoeken vanaf de muur van Fort Jefferson en dan tussen duizenden noddy's op één zwartere, kleinere vogel met een scherp afgetekende witte kap letten; hij zit vaak op dezelfde paal of steiger.

Staat van instandhouding

Wereldwijd gaat het om ruim een miljoen vogels en de soort geldt als niet bedreigd (LC). Op Hawaï wordt de broedpopulatie geschat op ongeveer twaalfduizend paren, met Midway en Nihoa als de belangrijkste plekken. De bedreigingen zijn er die van elke eilandbroeder: ingevoerde ratten en katten, verruiging van broedplaatsen door uitheemse planten, en verstoring van kolonies door boten en rondleidingen bij zeegrotten. Omdat hij vlak onder de kust vist, raakt vervuiling van het kustwater hem harder dan soorten die ver op zee foerageren.

Wetenschappelijke naam

Anous minutus | Boie, 1844

Friedrich Boie beschreef de soort in 1844 als Anous minutus; omdat hij haar meteen in dat geslacht plaatste en ze er nog steeds staat, staan auteur en jaartal zonder haakjes. Het geslacht Anous werd in 1826 ingevoerd door Stephens en is Oudgrieks voor 'zonder verstand', een naam die zeelieden aan deze tamme vogels gaven. minutus is Latijn voor 'klein' en onderscheidt haar van de grotere noddy, Anous stolidus. Boie noemde als herkomst 'New Holland', de oude naam van Australië; die is later beperkt tot Raine Island voor de Australische noordoostkust.