Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Noddy
Noddy | Anous stolidus
Brown Noddy | Tiñosa común
De noddy is een grote, chocoladebruine tropische stern met een lichtgrijze tot witte kap — het omgekeerde van het gewone sternenpatroon, waar de kap juist zwart is en het lichaam wit. Hij duikt niet maar pikt zijn vis in de vlucht van het oppervlak, vaak boven een school tonijnen die het kleine spul naar boven jaagt. In Noord-Amerika broedt hij in de Caraïben, op de eilandjes van Mexico en Hawaï, en op één plek op het vasteland van de Verenigde Staten: de Dry Tortugas voor de kust van Florida.
Geluid
De stem is laag en vlak, veel donkerder dan die van andere sterns: een schor, kraaiachtig kaah dat aan een jonge Amerikaanse kraai doet denken. In de kolonie loopt dat uit op een aanhoudend geratel en gekwebbel van honderden vogels tegelijk, waarin geen enkele hoge toon zit. Bij het nest klinkt een zacht, ratelend krrr tussen de partners. Wie 's nachts bij een kolonie ligt hoort een gestaag, laag gerommel dat pas bij het licht worden aanzwelt.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een forse, donkere stern met lange, smalle vleugels en een lange wigvormige staart met een inkeping in het midden. Het hele kleed is warm chocoladebruin, iets lichter op de vleugelboeg en donkerder naar de vleugelpunt, met een witte tot lichtgrijze kap die op het voorhoofd het scherpst is en naar de nek geleidelijk in het bruin overloopt. De snavel is lang, recht en zwart; onder het oog staat een klein wit halvemaantje, en boven het oog een dunne witte streep. Man en vrouw zien er gelijk uit; jonge vogels hebben een scherper begrensde, maar kleinere en witter ogende voorhoofdsvlek zonder het grijs van de volwassen vogel. De vlucht is traag en zwaar voor een stern, met diepe slagen, laag over de golven en vaak zonder ooit op het water te gaan zitten.
Verwarringssoorten
De witkapnoddy (Anous minutus) is kleiner en veel zwarter, met een dunnere en langere snavel, een kortere staart en een sneeuwwitte kap die scherp tegen het zwart afsteekt; op de Hawaïaanse hoofdeilanden is die soort echter bruiner en oranjepotig en dus lastiger te scheiden. De bonte stern (Onychoprion fuscatus), die op dezelfde eilandjes broedt, is zwart van boven en wit van onderen met een diep gevorkte staart; alleen haar jongen zijn geheel donker, maar die hebben witte stippen op de rug en de gevorkte staart van hun soort. De brilstern (Onychoprion anaethetus) is grijsbruin met een wit voorhoofd, een witte nekband en een gevorkte staart. Vuistregel: is de staart wigvormig en de kap licht, dan is het een noddy.
Leefgebied
Hij leeft op warme, heldere zeeën en komt alleen om te broeden aan land, op onbewoonde koraaleilandjes, rotseilanden en zandkeys met struiken. Het nest is een platform van takjes, wier en koraalgruis in een lage struik, op een rotsrichel of gewoon op de grond, meestal midden in een dichte kolonie. Voedsel zoekt hij boven open water binnen enkele tientallen tot ruim honderd kilometer van de kolonie, het liefst waar grote roofvissen kleine vis en inktvis naar het oppervlak drijven. Kusten van het vasteland, riviermondingen en zoet water vermijdt hij; op het land van een bewoond eiland is hij zelden te zien.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
De soort is over alle tropische oceanen verspreid. In het gebied van deze gids broedt ze op de Bahama's, Cuba, Jamaica, de Kaaimaneilanden, Hispaniola en Puerto Rico, op de riffen en eilandjes van Belize en Honduras, langs beide kusten van Mexico, op Hawaï — waar ze noio kōhā heet en op alle eilanden van de keten broedt — en op Bush Key in de Dry Tortugas, het enige punt in de Verenigde Staten buiten Hawaï. Die Floridakolonie is bezet van januari tot in oktober en staat de rest van het jaar leeg. Verder trekt hij niet werkelijk: buiten de broedtijd verspreidt hij zich over zee, meestal binnen een paar honderd kilometer van de eilanden. Alleen orkanen brengen hem soms tot ver landinwaarts of tot aan de Golfkust.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De zekerste plek in de Verenigde Staten is een boot- of watervliegtuigtocht naar de Dry Tortugas tussen maart en juni: vanaf de muur van Fort Jefferson kijk je op Bush Key uit, waar duizenden noddy's en bonte sterns bijeenzitten en er altijd wel vogels laag langs de wal scheren. Op Hawaï zoek je hem vanaf een kaap of vanaf een boot naar de kleinere eilanden. Let onderweg over open water op vogelgroepen boven een kokende plek in zee: waar tonijn jaagt, hangt de noddy erboven.
Staat van instandhouding
Wereldwijd is de soort talrijk en stabiel, en ze staat als niet bedreigd te boek. De zwakke plek zit op de broedeilanden: ingevoerde ratten en katten kunnen een kolonie in enkele jaren leeghalen, en op laaggelegen keys spoelt een orkaan nesten en jongen weg. In Florida is de kolonie van de Dry Tortugas kleiner dan een eeuw geleden maar sinds tientallen jaren stabiel, beschermd doordat het eiland in de broedtijd voor bezoekers gesloten blijft. Overbevissing van de grote roofvissen waarvan hij zijn jachtterrein leent, is een risico dat zich pas op termijn laat aflezen.
Wetenschappelijke naam
Anous stolidus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Sterna stolida, bij de sterns; omdat ze later in Anous is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anous werd in 1826 ingevoerd door Stephens en is Oudgrieks voor 'zonder verstand'; stolidus betekent in het Latijn hetzelfde. Beide namen komen uit de scheepvaart: de vogels lieten zich op hun nest oppakken en golden daarom als dom. Ook het Nederlandse en Engelse 'noddy' hoort daarbij — het is een oud woord voor sukkel, en tegelijk een verwijzing naar het knikken waarmee de vogels elkaar begroeten. Als typelocatie gaf Linnaeus 'Americae pelago' op, de zee van Amerika, wat later is opgevat als West-Indië.


